Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Voorwaarden

Onderdeel van Budgethoudersregeling Kaag en Braassem 2024

1.. De budgethouder mag zijn mandaat alleen uitoefenen onder de volgende voorwaarden: er is toereikend budget beschikbaar; er zijn geen gevolgen voor (budgetten van) andere taakvelden; de uitgave valt binnen de financiële ruimte waarvoor de budgethouder mag tekenen; het betreft niet de toepassing van een hardheidsclausule; door de uitoefening van het (onder)mandaat wordt geen precedent geschapen; er is geen politiek afbreukrisico. 2.. Het mandaatbesluit Kaag en Braassem is van toepassing. In dit besluit is voor sommige zaken ondermandatering geregeld aan een bepaalde functionaris of tot een bepaald bedrag. 3.. Indien er sprake is van een noodzakelijke technische begrotingswijziging door een overschrijding van een kostenplaats binnen een taakveld waarbij meer dan één budgethouder bevoegd is, dient overleg plaats te vinden tussen die budgethouders. 4.. Wanneer zich een situatie uit het 1e lid, onder e of f voordoet, is voorafgaand overleg nodig met de verantwoordelijke portefeuillehouder. De verantwoordelijke portefeuillehouder kan verlangen, dat het besluit wordt genomen door het college. 5.. Indien er onvoldoende zekerheid bestaat over de bevoegdheid tot het aangaan van verplichtingen krachtens deze regeling of het geldende Mandaatbesluit, wordt geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid en wordt de zaak ter beslissing voorgelegd aan het college.

Rechtspraak bij dit artikel