Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2024 (Verordening Afvalstoffenheffing 2024)

1.. De belasting bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. De belasting bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze verordening, is verschuldigd na afloop van het belastingjaar. 3.. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting in artikel 4, lid 1, van deze verordening, per jaar verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste deel van dat bedrag als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven. 4.. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de belasting in artikel 4, lid 1, van deze verordening per jaar voor zoveel driehonderdvijfenzestigste deel van dat bedrag belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 1,00. 5.. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn niet van toepassing als de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt, bij een gelijkblijvende gebruikssituatie. 6.. De belasting bedoelt in artikel 4 van deze verordening wordt niet geheven, als het totale belastingbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 1,00 bedraagt. 7.. Als de belastingplicht eindigt na dagtekening van het aanslagbiljet, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel