De voorzitter van de commissie kan over wat er in een vergadering besproken is, geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt zowel voor de leden van de commissie, de ambtelijk secretaris als voor de andere personen die ter vergadering aanwezig zijn.
De geheimhouding, als genoemd in lid 1, geldt totdat de voorzitter deze opheft.
Artikel 8.