De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14, kan door het college worden ingetrokken indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt, of
tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen;
Het college stelt de vergunninghouder van het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning in kennis.
Een afschrift van het besluit tot intrekking wordt aan de Erfgoedcommissie gezonden.
HOOFDSTUK 5
Artikel 18
Intrekken van de omgevingsvergunning
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Gennep 2021