Artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.
Beoordelingskader
De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze:
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
daadwerkelijk beschikbaar is;
een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie, en;
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking
Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen. Eenvoudige hulpmiddelen die in de reguliere handel of online verkrijgbaar zijn worden niet verstrekt door het college. Er wordt alleen beoordeeld of de voorziening algemeen gebruikelijk is en niet of dat in het geval van de cliënt zo is.
Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar
Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is.
Ad. 3 Een passende bijdrage
De beoordeling van het derde criterium is feitelijk onderdeel van het onderzoek na de melding van de hulpvraag; het gaat om een concrete beoordeling. Het college moet tijdens dat onderzoek zorgvuldig in kaart brengen welke beperkingen (problemen) de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie en vervolgens welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het ligt daarom voor de hand dat het college tijdens het onderzoek ingaat op gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De beoogde algemeen gebruikelijke voorziening moet, net als een maatwerkvoorziening, een passende bijdrage leveren, zodat een situatie ontstaat waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie.
Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau
Het college beoordeelt niet of de kosten specifiek door de aanvráger financieel gedragen kunnen worden, maar voor iedereen ongeacht de specifieke hoogte van het inkomen. Dit betekent dat de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening uiteindelijk bepalend is voor de beoordeling van het vierde en laatste criterium (CRvB 2019:3690). Waar de grens ligt voor de hoogte van de kosten moet zich in de jurisprudentie nog uitkristalliseren.
Hoogte van de kosten duurzaam gebruiksgoed
Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt.
Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op:
de aflossingsduur van 36 maanden die geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen);
een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (op grond van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt.
Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084).
Berekening
de van toepassing zijnde bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden
Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag dat van toepassing is op datum aanvraag.
Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De financiële draagbaarheid voor een inkomen op minimumniveau moet getoetst worden. Hiervoor onderzoekt het college ook de kosten en beschikbaarheid van een tweedehandsvoorziening.
Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd worden (dit is geen uitputtende opsomming):
Woonvoorzieningen:
aanrechtblad;
hendel mengkranen en thermostatische kranen;
keukenapparatuur;
keramische- of inductiekookplaat;
vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair;
airco;
antislipvloer/coating;
inrichtingskosten;
ophogen tuin/bestrating bij verzakking;
drempelhulpen tot 10 cm;
douche/toiletstoel op poten;
tweede toilet/sanibroyeur;
verhoogd toilet of toiletverhoger;
wandbeugels;
zonwering (inclusief elektrische bediening);
babyfoon/intercom;
stalling (driewiel)fiets/scootmobiel.
Vervoersvoorzieningen:
fiets;
aanhangfiets;
bakfiets;
(elektrische) fiets (al dan niet met lage instap);
(elektrische) tandem (al dan niet met lage instap);
fiets met lage instap;
fiets met trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor);
snorfiets, bromfiets of spartamet;
fietskar;
ligfiets;
aanhangfiets;
een eigen auto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;
autoaccessoires zoals: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak, cruise control;
openbaar vervoer.
Diversen:
alarmering;
boodschappendienst;
glazenwasser;
kinderopvang;
kreuk-/strijkvrije kleding;
maaltijdvoorziening;
schoonmaakmiddelen;
stofzuiger;
wasmachine;
wasdroger;
wandelstok;
rollator.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.3
Artikel 3.3.4
Algemene gebruikelijke voorziening
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2024