**1..** Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een voertuig te
plaatsen of te laten staan:
op een parkeerapparatuurplaats;
op een belanghebbendenplaats.
**2..** Het is verboden een fiets, een bromfiets niet zijnde een brommobiel
of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij
parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een
normaal gebruik ervan wordt belemmerd of verhinderd.
**3..** Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving
op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.
**4..** Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden
waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan:
een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur
niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang
van het parkeren in werking wordt gesteld;
een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de
parkeerapparatuur of een duidelijk zichtbaar in het
motorvoertuig aanwezige parkeerkaart die door de
parkeerapparatuur is afgegeven aangeeft dat de
parkeertermijn is verstreken.
**5..** Het in het vierde lid vervatte verbod geldt niet wanneer het
motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een ter zake doend
vergunningsbewijs behorende bij een bewonersvergunning, een
bedrijfsvergunning of een dienstenvergunning en niet gehandeld wordt
in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
**6..** Het in het vierde lid vervatte verbod is niet van toepassing op
parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de verordening
parkeerbelastingen 1998 naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens
het niet betalen van het verschuldigde parkeergeld.
**7..** Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
en vierde lid van dit artikel.
**8..** De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop
tegen betaling op een parkeerapparatuurplaats mag worden geparkeerd
geschiedt door het college.