In het Burgerlijk Wetboek wordt onderscheid gemaakt in twee soorten verjaring: verkrijgende en bevrijdende verjaring.
Verkrijgende verjaring
Verkrijgende verjaring treedt op als de grond gedurende tien jaar onafgebroken en te goeder trouw in bezit is (art 3:99 BW). Het begrip ‘te goeder trouw’ houdt in dat de verkrijger niet wist en niet kon weten dat het goed niet van hem was. In de praktijk wordt slechts in een zeer klein aantal gevallen aan dit begrip voldaan.
Bevrijdende verjaring
Bevrijdende verjaring wordt bepaald in artikel 3:105 BW. Van bevrijdende verjaring is sprake als de grond twintig jaar onafgebroken in bezit is. Het begrip ‘te goeder trouw’ speelt hierbij geen rol. Van bezit is sprake als de grond wordt gebruikt alsof de gebruiker eigenaar is en niemand anders. De inrichting van de grond is hierbij van belang. De tuin inclusief de strook gemeentegrond dient niet meer toegankelijk te zijn voor derden en samen één geheel te vormen. Bijvoorbeeld door het plaatsen van een hoge ondoordringbare haag om de tuin of een schuurtje op gemeentegrond. In die gevallen kan sprake zijn van bezit. Wordt het gras gemaaid, staan er planten of er liggen tegels op de gemeentegrond; dat zijn voorbeelden van inrichtingen die onvoldoende zijn om te spreken van bezit.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4.1
Verkrijgende en bevrijdende verjaring
Onderdeel van Beleidsnota Uitgifte groen- en reststroken