**1..** Deze beleidsregels gelden voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit van de artikelen 11.28, 11.37, eerste lid, onder a, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, onder a, 11.47, eerste lid, onder b, 11.54, eerste lid, 11.61, eerste lid, en 11.72, eerste lid van het Bal aan opvangcentra die dieren behorende tot beschermde diersoorten en dieren behorende tot de soorten die niet op bijlage 1 bij de Regeling houders van dieren zijn geplaatst, opvangen of gaan opvangen.
**2..** Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op opvangcentra waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, is vereist.
**3..** Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1 wordt slechts verleend indien:
het opvangcentrum van een vereniging of stichting is;
de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van de bijlage bij de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten;
het opvangcentrum beschikt over een vakbekwame dierverzorger;
het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren.
**4..** Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt het handelen overeenkomstig het ‘Protocol opvang niet aangewezen diersoorten en beschermde diersoorten’, dat een bijlage is van de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 3.2.2