1. De belasting als bedoeld in artikel 5 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting als bedoeld in artikel 5 verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog kalendermaanden overblijven, waarbij:
a. de lopende kalendermaand ten volle wordt meegerekend, indien de belastingplicht is aangevangen voor de zestiende van die maand;
b. de lopende kalendermaand ten volle buiten beschouwing blijft, indien de belastingplicht is aangevangen na de vijftiende van die maand.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, voor het einde van de belastingplicht, kalendermaanden zijn verstreken, waarbij:
a. de lopende kalendermaand ten volle wordt meegerekend, indien de belastingplicht is beëindigd na de vijftiende van die maand;
b. de lopende kalendermaand ten volle buiten beschouwing blijft, indien de belastingplicht is beëindigd voor de zestiende van die maand.
4. Belastingbedragen van minder dan € 5,- worden niet geheven.
5. Het bepaalde in het vierde lid vindt geen toepassing indien het totaal van de op één biljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 5,-.
Artikel 9
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten 2024