Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ordeningsregels open bodemenergiesystemen

Onderdeel van Verordening bodemenergiesystemen gemeente Apeldoorn 2023

1.. Een open bodemenergiesysteem moet in principe uitgevoerd worden als een opslagdoublet. 2.. Het is niet toegestaan een open bodemenergiesysteem te realiseren in verschillende watervoerende pakketten. 3.. Een open bodemenergiesysteem buiten interferentiegebieden zoals bedoeld in artikel 2 moet zo ontworpen worden dat het effect op de grens van ieder interferentiegebied kleiner is dan 0,5K. 4.. Bronnen dienen zo veel mogelijk aan te sluiten. Dit wil zeggen dat een warme bron in de omgeving van een bestaande warme bron wordt gepositioneerd en een koude bron bij een bestaande koude bron, zodat op gebiedsniveau sprake kan zijn van eventuele positieve onderlinge thermische interferentie en er meer ruimte overblijft voor toekomstige bodemenergiesystemen. 5.. Koude bronnen mogen uitsluitend bovenstrooms van bestaande warme bronnen worden gepositioneerd wanneer de thermische beïnvloeding van het nieuwe systeem op de bestaande warme bronnen kleiner is dan 0,5K. 6.. Recirculatie- en monobronsystemen zijn toegestaan in het eerste watervoerende pakket (tot maximaal 80m-mv). 7.. Opslagdoubletten en monobron opslagsystemen zijn toegestaan in het tweede en derde watervoerende pakket. 8.. Een monobron opslagsysteem binnen een interferentiegebied zoals bedoeld in artikel 2 is slechts onder de volgende voorwaarden toegestaan: Aangetoond wordt dat het plaatsen van een monobron opslagsysteem significante voordelen heeft ten opzicht van een (collectief) opslagdoublet; Het bovenste filter van het monobron opslagsysteem dient het warme filter te zijn en het onderste filter het koude filter; Aangetoond wordt dat de afkoeling van reeds aangelegde en aangevraagde bodemenergiesystemen kleiner is dan 0,5K. 9.. Bodemenergiesystemen gelegen binnen een interferentiegebied zoals bedoeld in artikel 2 bereiken uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd ten minste 100% en ten hoogte 115% bedraagt ten opzichte van de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie bereikt werd. 10.. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan de in dit artikel gestelde ordeningsregels te voldoen, kan afgeweken worden van deze ordeningsregels. Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de Omgevingsdienst, bij de vergunningaanvraag Waterwet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de provincie voorgelegd worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel