Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.6.1

Artikel 3.75

Herplant-/instandhoudingsplicht

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Blaricum 2023

1.. Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 2.. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.. Als het bevoegd gezag vaststelt dat niet ter plaatse of elders op het perceel kan worden herplant, kan het bevoegd gezag bepalen dat door de in het eerste lid genoemde (rechts)personen een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het gemeentelijk herplantfonds. 4.. Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de hoogte van de in het vorige lid bedoelde geldelijke bijdrage. 5.. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op houtopstand die is uitgezonderd van de vergunningplicht van artikel 3.71, eerste lid, omdat: de houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder g; de houtopstand moet worden geveld vanwege een situatie van acuut spoedeisend belang als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder h. 6.. Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 7.. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, het vijfde of het zesde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel