Naar hoofdinhoud
1. Begraving mag slechts geschieden indien van tevoren het verlof tot begraven is overgelegd aan het personeel van de begraafplaats. 2. Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door één van de personen, genoemd in artikel 18, eerste lid. 3. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op gehele jaren. 4. Het personeel van de begraafplaats onderzoekt de genoegzaamheid van de overgelegde stukken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel