Naar hoofdinhoud
1. Met inachtneming van de daarvoor bij of krachtens de wet gestelde regels en onverminderd het bepaalde in artikel 15, derde en zesde lid, kunnen burgemeester en wethouders de ruiming van particuliere graven, op verzoek van de rechthebbende toestaan. 2. De in het eerste lid bedoelde ruiming geschiedt niet dan tegen betaling van het daarvoor krachtens de heffingsverordening verschuldigde recht. 3. Een rechthebbende is in geval van toepassing van het eerste lid bevoegd te verzoeken om de bijeen verzamelde resten wederom in dezelfde grafruimte te doen plaatsen. 4. Wanneer het recht op een bepaalde grafruimte is vervallen, zijn burgemeester en wethouders bevoegd met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde regels dat graf te ruimen. 5. De ruiming van de algemene graven geschiedt met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde regels, op last van burgemeester en wethouders. 6. De overblijfselen van lijken, urnen en kisten worden begraven op een afzonderlijk gedeelte van de begraafplaats. 7. Het voornemen van burgemeester en wethouders om een algemeen graf te ruimen wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip, waarop het graf geruimd zal worden, op een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje ter kennis van de gebruiker gebracht, tenzij het adres van de gebruiker van het graf aan hen bekend is. In dat geval maken zij de gebruiker uiterlijk een jaar voor het genoemde tijdstip per brief hun voornemen bekend. 8. Het opgraven van lijken en het ruimen van graven is slechts toegestaan indien daarbij geen andere personen aanwezig zijn dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel