Het college kan de omgevingsvergunning intrekken als:
blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
de omstandigheden zoals die bekend waren ten tijde van de vergunningverlening zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk beschermd beeldbepalend pand zwaarder moet wegen dan het belang bij de gebruikmaking van de omgevingsvergunning;
niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning met de werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft, een aanvang is gemaakt;
tussen het begin en het einde van de werkzaamheden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen;
de vergunninghouder daarom heeft verzocht.