**1..** Het college stelt een plan naar werk op voor een persoon die ontwikkelbaar is naar werk. Dit plan is maatwerk, gericht op de mogelijkheden van de persoon en rekening houdend met de beperkingen van de persoon. Het college kan aan een persoon een of meerdere voorzieningen aanbieden.
**2..** Bij voorzieningen beoordeelt het college of de voorziening noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling en of de kosten van de voorziening proportioneel zijn. Proportioneel betekent dat de kosten voor de voorziening moeten opwegen tegen de opbrengsten. Het college houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het sociaal domein en andere wettelijke regelingen beschikbaar zijn en stemt dit af in het plan naar werk, bedoeld in artikel 44a, van de wet.
**3..** Het college kan een voorziening weigeren als:
de persoon voor wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;
de persoon onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
als de voorziening niet proportioneel is;
de persoon, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Wet, jonger is dan zestien jaar;
het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeft verstrekt.
**4..** Het college kan een voorziening beëindigen als:
de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het om een persoon gaat als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
Hoofdstuk 2
Artikel 3.