3.1.1Achtererf
Het erf op 1 of meer meter achter de voorgevellijn.
3.1.2Bebouwde kom
Het bebouwde gebied (de bebouwde kom) als aangegeven op de op dat moment geldende ‘Contourenkaart bebouwde kom’ (niet zijnde de verkeerskundige bebouwde kom).
3.1.3Bebouwingsgrens
Een op de plankaart van het omgevingsplan als zodanig aangegeven lijn die de grens vormt van een bebouwingsvlak.
3.1.4Bebouwingsvlak
Een op de plankaart van het omgevingsplan door bouwgrenzen aangegeven omsloten vlak.
3.1.4Begane grond
Een bouwlaag van een gebouw, dat met de straat, waaraan het met de hoofdtoegang is gelegen, gelijk ligt. Van een woonhuis/woning is dit meestal de bouwlaag waarop zich de entree/hal, toilet, woonkamer, keuken en berging/bijkeuken met toegang bevinden. Eronder kan zich een kruipruimte, souterrain of kelder bevinden of, bij aflopend hoogteverschil in het terrein ter plaatse, een volledige bouwlaag (zoals een woonlaag met woonverblijven). Erboven bevinden zich de verdieping(en). Deze bouwlaag kan meestal zonder trap, ladder of iets dergelijks worden betreden.
3.1.6Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; aangebouwd dan wel vrijstaand gebouw, of ander gebouw met een dak.
3.1.7Bouwlaag
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, souterrain, kelder, of bij een aflopend hoogteverschil in het terrein ter plaatse, een volledig onder de begane grond gelegen laag (zoals een woonlaag met woonverblijven) en zolder of vliering.
3.1.8Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren.
3.1.9Dakkapel
Een uitspringend dakvenster, bedoeld om de lichtinval te verbeteren en het woonoppervlak te vergroten, aangebracht op het hellende dakvlak en minimaal aan de onder en bovenzijde omgeven door het betreffende dakvlak. Dakvergrotingen die in de goot staan, of zelfs daaronder, of die boven de bouw uitsteken zijn dus géén dakkapellen.
3.1.10Dakopbouw
Een dakvergroting of -verhoging (niet zijnde een dakkapel) die of in de goot staat, of zelfs daaronder, en/of die boven de nok uitsteekt (doortrekken van de nok) dan wel een dakkapel die boven de bestaande nok van het hoofdgebouw uitsteekt (verhogen van de nok). Door de dakopbouw verandert het silhouet van het oorspronkelijke dak.
3.1.11Erf
Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan deze die inrichting niet verbiedt.
3.1.12Erf- of terreinafscheiding
Een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan af te scheiden. Een erf- of terreinafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te zijn op een perceelsgrens om als zodanig te worden opgevat. Is een afscheiding bijvoorbeeld geplaatst in het midden van een tuin dan wordt deze ook beschouwd als een erf- of terreinafscheiding. Onder een erf- of terreinafscheiding wordt verder ook verstaan een rasterwerk waarlangs beplanting groeit. Een gegroeide haagbeuk wordt daarentegen niet beschouwd als een gebouwde erf- of terreinafscheiding. Een keermuur is geen erf- of terreinafscheiding.
3.1.13Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.1.14Hoofdgebouw
Een gebouw dat op een bouwperceel gelet op de bestemming, en door zijn constructie of afmetingen, als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Op een bedrijventerrein en/of agrarisch bouwperceel kan dit de bedrijfsbebouwing en/of (bedrijfs)woning zijn.
3.1.15Keermuur
Een walmuur ter vermijding van de overstort van grond of zand en dergelijke, en/of ter voorkoming van wateroverlast. De functie van een keermuur is anders dan die van een erf- of terreinafscheiding.
3.1.16Lessenaarsdak
Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
3.1.17Mantelzorg
De langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt aangeboden aan een aantoonbare hulpbehoevende (zoals op fysiek en/of psychisch en/of psycho-sociaal vlak) door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.
3.1.18Overkapping
Een vrijstaand dan wel aangebouwd bouwwerk met een gesloten dak op het erf van een (hoofd)gebouw of een standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het (hoofd)gebouw of de standplaats en dat minimaal twee geheel open wanden heeft en dat maximaal twee, al dan niet tot de constructie zelf behorende, wanden heeft, zoals een carport of luifel.
3.1.19Peil
Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg, pad of stoep grenst (dat wil zeggen dat er geen ruimte zit tussen de hoofdtoegang en de weg, het pad of de stoep): de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang.
Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van het afgewerkte maaiveld ter hoogte van de hoofdtoegang na voltooiing van de bouw. Bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk geldt de hoofdtoegang van het hoofdgebouw.
Voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk.
Voor erfafscheidingen, terreinafscheidingen, tuinhekken, (tuin)muren en keermuren: het afgewerkte terrein ter plaatse van elk gedeelte van dat bouwwerk (de voet van de erfafscheiding of terreinafscheiding enz., gemeten aan de laagste zijde). Plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van de erf- of terreinafscheiding dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Dit geldt ook voor kunstmatig aangebrachte ophogingen van enkele tientallen centimeters breed en hoog ten behoeve van het plaatsen van een erfafscheiding.
Indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).
3.1.20Voorerf
Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.
3.1.21Voorgevellijn
Een lijn die gelijk loopt aan de naar de weg (niet zijnde een smal wandel- of fietspad zonder groenstrook tussen huizen door) of openbaar groen gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Er is dus maar één gevel van het hoofdgebouw als voorgevel aan te merken. Als aanvullende bepaling geldt dat de afstand tussen de voorgevellijn(en) en de weg of openbaar groen nooit korter mag zijn dan de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en die weg of openbaar groen. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een hoofdgebouw niet haaks op een weg of twee wegen staat. In een dergelijk geval volgt loopt de voorgevellijn daar evenwijdig langs de weg of het openbaar groen aan die zijde. Ter verduidelijking is in figuur 2 aangegeven wat onder de voorgevellijn wordt verstaan. Wijkt een specifieke situatie af van de vier geschetste situaties in deze figuur, dan is het aan de gemeente om conform de bovengenoemde definitie te bepalen waar de voorgevellijn ligt.
Figuur 2 – Situaties voorgevellijn
3.1.22Zolder
Een gedeelte van een gebouw, zijnde een laag boven de begane grond en gelegen direct onder het dak, waarvan de vrije hoogte tussen de bovenkant van de vloer en de onderkant van de nokgording minder bedraagt dan 1,5 meter.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Beleidsregels voor planologische afwijkingsmogelijkheden, januari 2024