**1..** In aanvulling op de afdeling 4.2, 4.3 en 4.4 en bijlage 8 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht wordt voor het leggen, hebben en behouden van een kabel of leiding van algemeen nut in het beperkingengebied provinciale weg, het beperkingengebied lokale spoorweg of provinciale vaarweg een omgevingsvergunning verleend, tenzij daarbij een aanmerkelijke kans bestaat op schade aan, of aantasting van genoemde beperkingengebieden van de provincie of indien er een redelijke kans bestaat op afbreuk van het veilig en doelmatig gebruik van de weg, lokale spoorweg of vaarweg.
**2..** Van de in lid 1 bedoelde situaties is in ieder geval sprake indien:
het een locatie betreft binnen een afstand van minimaal 5 meter tot een folieconstructie of hart spoor, waar de risico’s op aanmerkelijke schade aan het kunstwerk of verstoring van het gebruik van de weg, het spoor of de vaarweg groot is;
het een locatie betreft waar een gesloten verharding van wegen of paden aanwezig is, met uitzondering van locaties in de bebouwde kom en in situaties met kruisende kabels en leidingen, waar geen alternatief beschikbaar is;
er geen ruimte beschikbaar is in de wegberm, spoorberm of oever bij toepassing van het vigerende, door gedeputeerde staten vastgestelde dwarsprofiel voor de ligging van kabels en leidingen;
er geen ruimte beschikbaar is in of aan een kunstwerk en de daarbij horende voorzieningen voor kabels en leidingen zoals mantelbuizen en kabelgoten;
de voorgeschreven minimale gronddekking van de kabel of leiding niet kan worden gegarandeerd. Het aanbrengen van de beschermende maatregelen boven kabels of leidingen is vergunningplichtig. Zo nodig worden aanvullende voorschriften aan de constructie, materialen, en de wijze van aanbrengen en onderhouden gesteld. Zie in dat verband artikel 5 lid 2 sub a.
het een locatie betreft waar schade is te verwachten aan beplanting door o.a. aantasting van het wortelstelsel bij grondroering Verwezen wordt naar artikel 5 lid 2 onder e.
**3..** Met in achtneming van het bepaalde in artikel 4 lid 1, kan voor kabels en leidingen ten behoeve van transport van alternatieve energiebronnen, die niet wettelijk zijn geregeld, een vergunning worden verleend, indien:
het gebruik van de kabel of leiding in dat geval van algemeen nut is, en
het transport is ondergebracht bij een netbeheerder die aantoonbaar aan te merken is als deskundige ten aanzien van de risico’s van de te transporteren stoffen en de wijze waarop deze getransporteerd worden.
**4..** De aanvraag om een vergunning wordt onder meer getoetst aan:
de nog te verwachten maatregelen voor de weginfrastructuur, zodat deze kan voldoen aan de inrichtingseisen behorende bij de vigerende Omgevingsvisie provincie Utrecht en de toegekende functie van de weg uit het Bereikbaarheidsprogramma van de provincie.
de nog te verwachten maatregelen voor de vaarweginfrastructuur, zodat deze kan voldoen aan de profielnormen horende bij de classificatie van vaarwegen in de in afdeling 4.4 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht en de daarbij behorende bijlage VIII.
de nog te verwachten maatregelen voor de lokale spoorweginfrastructuur, zodat deze kan voldoen aan het oogmerk als genoemd in afdeling 4.3 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht en de vigerende inrichtingseisen.
Hoofdstuk 2
Artikel 4