Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 15

Onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp 2024 gemeente Smallingerland

1.. De wijze waarop het onderzoek moet zijn ingericht is kortgezegd: Vaststellen van de hulpvraag Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is In kaart brengen van beperkingen/problematiek Bepalen welke hulp nodig is Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) Aanspraak op een voorliggende voorziening Aanspraak op een algemene voorziening Informeren over de mogelijkheid van het aanvragen van een Pgb Indien Pgb aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden Pgb voldaan wordt. 2.. Aanvullende toelichting ten aanzien van bovenstaand onderzoek: In samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst iemand uit het sociaal netwerk, onderzoek het college zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag: de behoefte aan ondersteuning, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja welke problemen of stoornissen dit zijn. Wat het gewenste resultaat is van de ondersteuning en wat het aanvaardbare niveau van een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling is. welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; de (ervaren) belasting van de mantelzorger(s)en de daaruit voortvloeiende behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s). de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) ouders om op eigen kracht, het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met gebruik van andere voorzieningen of algemene voorzieningen het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. voor zover het gebruik van andere voorzieningen of algemene voorzieningen ontoereikend zijn, de mogelijkheid om met gebruik van een maatwerkvoorziening het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg en ondersteuning, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, welzijn, wonen, werk en inkomen met het oog op het behouden of bereiken van het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 3.. In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân. 4.. Als de jeugdige en/ of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een familiegroepsplan, binnen een redelijke termijn, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 5.. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6.. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de mogelijkheden om te kiezen voor een Pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 7.. De jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 8.. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht. 9.. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Rechtspraak bij dit artikel