Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 15

Onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp 2024 gemeente Smallingerland

1.. De wijze waarop het onderzoek moet zijn ingericht is kortgezegd: Vaststellen van de hulpvraag Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is In kaart brengen van beperkingen/problematiek Bepalen welke hulp nodig is Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) Aanspraak op een voorliggende voorziening Aanspraak op een algemene voorziening Informeren over de mogelijkheid van het aanvragen van een Pgb Indien Pgb aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden Pgb voldaan wordt. 2. . Draagkracht en draaglast Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe. Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouders voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in haar onderzoek de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen. Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden, binnen een tijdvak van 12 maanden. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden, binnen een tijdvak van 12 maanden. In kortdurende situaties neemt het college aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. In langdurende situaties bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als het college op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s) aan kinderen is tot en met de leeftijd van 17 jaar in principe gebruikelijke zorg, zowel in kortdurende als langdurende situaties. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan. 3.. Aanvullende toelichting ten aanzien van bovenstaand onderzoek: In samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst iemand uit het sociaal netwerk, onderzoek het college zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag: de behoefte aan ondersteuning, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja welke problemen of stoornissen dit zijn. Wat het gewenste resultaat is van de ondersteuning en wat het aanvaardbare niveau van een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling is. welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; de (ervaren) belasting van de mantelzorger(s)en de daaruit voortvloeiende behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s). de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) ouders om op eigen kracht, het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met gebruik van andere voorzieningen of algemene voorzieningen het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. voor zover het gebruik van andere voorzieningen of algemene voorzieningen ontoereikend zijn, de mogelijkheid om met gebruik van een maatwerkvoorziening het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg en ondersteuning, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, welzijn, wonen, werk en inkomen met het oog op het behouden of bereiken van het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 4.. In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân. 5.. Als de jeugdige en/ of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een familiegroepsplan, binnen een redelijke termijn, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 6.. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7.. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de mogelijkheden om te kiezen voor een Pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 8.. De jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 9.. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht. 10.. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Rechtspraak bij dit artikel