Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
“abonnementstarief”: tarief dat wordt geheven wanneer men ligplaats heeft buiten de gemeentegrenzen, of gerechtigd is af te meren in erfpacht uitgegeven water of in een jachthaven;
“bezoekerstarief”: tarief dat wordt geheven wanneer men gedurende maximaal 6 uur wenst af te meren in het openbaar water;
“dag”: kalenderdag;
“dagtarief”: tarief dat wordt geheven wanneer men gedurende 24 uur wenst af te meren in het openbaar water;
“doorvaartvignet”: vignet waarmee kan worden vastgesteld of voor het pleziervaartuig waarop het is aangebracht vrijstelling is verleend om door te varen op het openbaar water zonder af te meren;
“haven”: het IJ, het Buiten IJ, het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal en alle daarop uitkomende wateren tot de begrenzing zoals weergegeven op de kaart behorende bij de Verordening op het Binnenwater 2010;
“heffing”: Binnenhavengeld Pleziervaart, bedoeld in artikel 2;
“hybride tarief” : tarief dat geheven wordt voor hybride vaartuigen die binnen de gemeentegrenzen alleen met een elektrische motor varen zonder gebruik van een brandstofmotor of een brandstofgenerator;
“jaar”: kalenderjaar lopende van 1 januari tot en met 31 december;
“jaartarief”: tarief dat wordt geheven wanneer de belastingplichtige gedurende het kalenderjaar of een gedeelte daarvan voor langere tijd en/of meermalen wenst door te varen of af te meren in Amsterdam;
“jaarvignet”: vignet waarmee kan worden vastgesteld of voor het pleziervaartuig waarop het is aangebracht het verschuldigde binnenhavengeld is voldaan;
“jachthaven”: haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen of aangelegd houden van pleziervaartuigen;
“milieutarief”: tarief dat wordt geheven voor uitstootvrije vaartuigen;
“openbaar water”: alle wateren gelegen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;
“pleziervaartuig”: schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie;
“schip”: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van vervoer te water; onder schip wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, werkeilanden, een drijvende kraan, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard;
“schipper”: degene die de feitelijke leiding over een pleziervaartuig voert;
“vaartuig”: een drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het dragen of vervoer te water van personen of goederen, of van al dan niet met het drijvende lichaam een geheel uitmakende voorwerpen.
Artikel 1.