Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Belastingplicht

Onderdeel van Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024

1.. De belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2.. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd, wordt mede aangemerkt: degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; zolang geen voldoening van de belasting, vermeld in artikel 1, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat: indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd, waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder, maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3.. De belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruikgemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.. De belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. De belastingplicht van de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sluit de belastingplicht van de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, uit voor de in de vergunning aangegeven wijze en plaats met uitzondering van gebieden waar en voor zover een parkeerduurbeperking geldt. Deze uitsluiting geldt uitsluitend ter zake van het kenteken waarvoor de vergunning is verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel