Naar hoofdinhoud
De bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.8 Omgevingswet wordt voor de volgende onderdelen gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders: Het wijzigen van het omgevingsplan in gevallen waarvoor in de bestaande bestemmingsplannen (na inwerkingtreden Omgevingswet: omgevingsplan) een uitwerkings- of wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders is opgenomen, waarbij de voorwaarden van de desbetreffende wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid in acht worden genomen. het opnemen van onherroepelijke omgevingsvergunningen in het omgevingsplan; Het verwerken van wijzigingen in het omgevingsplan die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving, voor zover hier geen afwegingsruimte aanwezig is. Het aanbrengen van ondergeschikte wijzigingen van technische aard, redactionele aanpassingen en correcties van omissies van het omgevingsplan, allen met geen of geringe invloed op de fysieke leefomgeving.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel