**1..** Bij beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening in het kader van Jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 5 van de Verordening, wordt door het college onderzocht in hoeverre er sprake is van eigen kracht en wat er in redelijkheid van de jeugdige of diens ouders en hun sociale netwerk verwacht kan worden ten aanzien van de hulpvraag.
**2..** Om te kunnen bepalen wat de eigen kracht is en wat er in redelijkheid van de jeugdige of diens ouders kan worden verwacht, worden in ieder geval de volgende punten onderzocht:
de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige of diens ouders;
de voor de jeugdige of diens ouders benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
de mogelijkheden, de draagkracht en belastbaarheid van ouders;
het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen;
de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
de ouders in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden;
de ouders beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden; en
het bieden van de hulp door de ouders geen overbelasting oplevert.
**3..** In aanvulling op lid 2, kan bij de beoordeling van wat er redelijkerwijs van de jeugdige of diens ouders en diens omgeving kan worden verwacht, gebruik worden gemaakt van het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp Jeugd’, bedoeld in bijlage 1 behorende bij deze regeling. Bij deze afweging is leidend wat er in meer of mindere mate van de jeugdige of diens ouders verwacht kan worden, in relatie tot de vastgestelde eigen kracht.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3
Eigen kracht en gebruikelijke hulp Jeugd
Onderdeel van Regeling maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023