Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.11

LOKALE MAXIMALE WAARDEN TIJDELIJKE OPSLAG (LMW13)

Onderdeel van Nota bodembeheer en oplegnotitie 2023-2033

In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk zijn aan of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie de onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart in bijlage C1). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van een locatie waar geen ruimte aanwezig is om de grond tijdelijk op te slaan; de betreffende partij grond niet afkomstig is van de grondgebieden van de 11 gemeenten; het baggerspecie betreft. In sommige bodemkwaliteitszones van bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom passen de gemeenten de regels aan voor de tijdelijke opslag van grond voorafgaand aan de definitieve toepassing. Een partij grond uit de gemeenten mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse (zie de onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart in bijlage C1) óf de vastgestelde Lokale Maximale Waarden, gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie § 4.3). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit de gemeente, voorafgaand aan de definitieve toepassing, is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).

Rechtspraak bij dit artikel