Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5. › Afdeling 7A

Artikel 5:33b

(Omgevings)vergunning deelvoertuigen*

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014

1.. Het is verboden zonder (omgevings)vergunning van het college op of aan de weg of op een andere openbare plaats deelvoertuigen bedrijfsmatig ter gebruik aan derden aan te bieden. 2.. Het college kan een (omgevings)vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren, intrekken of aanpassen indien zich volgens het college bij het aanbieden- of gebruiken van deelvoertuigen één of meer van de volgende situaties voordoet: gevaar en/of hinder oplevert voor de veiligheid van het verkeer of de veiligheid van andere weggebruikers of de veiligheid of bruikbaarheid van openbare plaatsen; geschiedt met op fossiele brandstof voortgedreven voertuigen; een nadelige invloed heeft op het milieu; onevenredig beslag legt op de beschikbare ruimte op een openbare plaats; afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de ruimte op een openbare plaats; gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; in het geval en onder voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB). 3.. Het college kan met oog op één of meer de belangen, zoals opgenomen in het tweede lid van dit artikel, een maximum stellen aan het totaal aantal deelvoertuigen, dat op of aan de weg of op openbare plaatsen kan worden geplaatst. 4.. Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel weigert het college de (omgevings)vergunning indien een maximum als bedoeld in het derde lid van dit artikel is vastgesteld en dit maximum al is bereikt. 5.. Het college kan wegen, weggedeelten of andere openbare plaatsen aanwijzen waar deelvoertuigen als bedoeld in artikel 5:33a uitsluitend mogen worden geplaatst en/of uitsluitend ter gebruik mogen worden aangeboden of waar deze deelvoertuigen niet mogen worden geplaatst en/of ter gebruik mogen worden aangeboden. 6.. In afwijking van het eerste lid van dit artikel geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van het inwerkingtreden van dit artikel en deze afdeling reeds onder dit artikel en deze afdeling vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten eerst drie maanden na het inwerkingtreden van dit artikel en deze afdeling of met ingang van het inwerkingtreden van het besluit tot weigering of intrekking van een door deze exploitant aangevraagde (omgevings)vergunning, voor zover dat eerder is. 7.. Het college kan met oog op de belangen in het tweede- en derde lid van dit artikel nadere regels stellen over deelvoertuigen. 8.. De (omgevings)vergunning wordt in afwijking van artikel 1:7 van deze verordening verleend voor een periode van maximaal 3 jaar. De vergunning kan met een periode van 2 jaar worden verlengd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel