Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Afdeling 5.3

Artikel 5.3.1

Verboden en vergunningplicht gemeentelijk monument en gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Heeze-Leende 2024

1.. Het is verboden een gemeentelijk monument of beschermd dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2.. Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, een gemeentelijk monument, of een bouwwerk en/of groenopstand in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, én voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg bij het monument niet wijzigt, of; inpandige veranderingen van het monument voor zover op voorhand middels een bouwhistorisch onderzoek is aangetoond en het door de adviescommissie goedgekeurde schriftelijke rapportage, het een onderdeel betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg een indifferente of storende waarde heeft; voor het beschermde dorpsgezicht op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolgde een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 4.. De aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van de gegevens en aanvraagvereisten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht. De aanvraagvereisten van de artikelen 7.2 en 7.3 van hoofdstuk 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikelen 7.198 tot en met 7.205 van hoofdstuk 7.2.9 van de Omgevingsregeling zijn overeenkomstig van toepassing voorzover een aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op monumenten of gebouwen (artikel 5.3.1 lid 1 en 2) in een beschermd dorpsgezicht, waarbij dan dus voor ‘rijksmonument’ moet worden gelezen ‘gemeentelijk monument’ en ‘zaak van cultuurhistorische waarde’. 5.. Burgemeester en wethouders kunnen van de aanvrager nadere gegevens verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch, cultuurhistorisch, archeologisch en/of tuinhistorisch onderzoek, voor zover die ter beoordeling van de aanvraag nodig zijn. 6.. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod als bedoeld in het tweede lid. 7.. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet of door het college worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. De omgevingsvergunning in een gemeentelijk dorpsgezicht kan in ieder geval worden geweigerd, als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk, een ander bouwwerk op een redelijke termijn kan of zal worden gebouwd. 8.. Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel