Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.3

Wettelijk kader en ontwikkelingen

Onderdeel van Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2024-2027 ODNZKG

Het VTH-stelsel heeft in de afgelopen jaren niet stilgestaan en heeft zich voortdurend ontwikkeld. Deze strategie bouwt op deze ontwikkelingen voort. Bij het opstellen van de Noord-Hollandse U&H-strategie is rekening gehouden met recente en toekomstige ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de taakuitvoering door de Noord-Hollandse omgevingsdiensten. Dit zijn de volgende ontwikkelingen. Wettelijke ontwikkelingen: Omgevingswet De Omgevingswet treedt 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet bundelt veel van de eerdere wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het doel van de Omgevingswet is om een evenwicht te vinden tussen het waarborgen en behouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit, en het efficiënt beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om aan maatschappelijke behoeften te voldoen. Voor het bereiken van die balans krijgen gemeenten, provincies en waterschappen meer afwegingsruimte. Vanuit het Rijk verschuift steeds meer wet- en regelgeving naar gemeenten, provincies en waterschappen. Er treden veranderingen op in het basistakenpakket. Het gaat er voortaan om dat de leefomgeving op een integrale manier wordt bestuurd met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en verbetering van het leefmilieu. Dit vraagt samenhang tussen het beleid, de regels en de uitvoering. Deze samenhang wordt verbeeld door een gesloten beleidscyclus (zie figuur 2). Decentrale overheden stellen in een omgevingsvisie en omgevingsprogramma doelen op voor de fysieke leefomgeving. Deze worden in het omgevingsplan en de omgevings- vergunning uitgewerkt in de vorm van regelgeving. Dit gebeurt in een overgangssituatie waarin overgangsrecht geldt. Deze overgangsperiode duurt tot eind 2031 De gesloten beleidscyclus fungeert naast de Big-8, waarbij de Big-8 specifieker geldt voor beleid en uitvoering van de Omgevingsdienst. Voor omgevingsdiensten betekent de Omgevingswet ook een andere benadering van de uitvoering van de reguliere taken van vergunning- verlening, toezicht en handhaving. Er is sprake van verandering in de werkwijzen (participatief, ‘ja-mits’, digitaal, overlegtafels), normatieve kaders (integraal, decentrale ruimte voor afwegingen, instrumenten voor maatwerk, zorgplicht) en andersoortige organisatie van de inzet van mens en middelen (opgavegericht programmeren). Voorts volgt uit het Omgevingsbesluit de verplichting om te voldoen aan de kwaliteitscriteria, wat inhoudt dat de omgevingsdiensten aan specifieke kwaliteitseisen moeten voldoen. Daarnaast dienen de omgevingsdiensten de kwaliteitsdoelstellingen verder uit te werken, wat betekent dat zij concrete maatregelen en acties moeten formuleren om deze doelstellingen te bereiken De Europese- en Rijksagenda Europa en het Rijk hebben zich gecommitteerd aan het behalen van specifieke ambities voor de fysieke leefomgeving, onder meer uitgewerkt in (klimaat)akkoorden en de Nationale Omgevingsvisie (Novi). De aanscherping van het omgevingsbeleid van het Rijk wordt deels juridisch vastgelegd in de Omgevingswet – het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit werkt door in de rol en taken van de omgevingsdiensten, omdat er sprake kan zijn van aangescherpte normering zoals emissies, energie- en grondstoffen of afstandseisen. Ook kan het leiden tot intensieve ruimtelijke transitieprocessen, waarin de expertise van de omgevingsdiensten van nut is indien dat goed georganiseerd wordt. Het is ook mogelijk dat een Omgevingsdienst een projectmatige opdracht krijgt vanuit het Rijk, bijvoorbeeld door directe financiering van omgevingsdiensten voor advisering bij een beleidsprogramma, gebiedsontwikkeling of bestuurlijk arrangement.

Rechtspraak bij dit artikel