1. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder en kent het college geen vervoersvoorziening toe.
2. Het college kent slechts een vervoersvoorziening zoals genoemd in artikel 2.2 lid 1 sub e toe als:
a. de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp en er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt;
b. bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor deze de jeugdige niet kan vervoeren of met de jeugdige kan meereizen.
3. Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid worden de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk onderzocht.
4. Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven.
5. Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.
6. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze van verstrekking en uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening en de hoogte van de vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening.
7. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening wordt toegekend.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4
Vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024