De bevoegdheid tot vaststelling dan wel wijziging van het omgevingsplan in de volgende gevallen te delegeren aan het college:

a. het opnemen van onherroepelijke omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan;

b. het corrigeren van kennelijke fouten in het omgevingsplan;

c. het verwijderen van regels ter bescherming van archeologische waarden, indien uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;

d. het opstellen van regels ten behoeve van voorbescherming bij monumenten;

e. het opstellen van regels ten behoeve van spoedbescherming bij monumenten;

f. het nemen van besluiten om niet tot aanpassing van het omgevingsplan over te gaan;

g. het schrappen van regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan indien deze regels, al dan niet na aanpassing daarvan, onherroepelijk in het permanente deel van het omgevingsplan zijn opgenomen.