**1..** De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot:
Opheffen van een situatie die voor de jeugdige en zijn ouders en/of de omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt;
Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
** 2. .** Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee:
de behoefte aan hulp en ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders of het gezin, alsmede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk;
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste kosten op lange termijn.
** 3. .** Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening.
** 4. .** Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder artikel 2.1.5., is het college er voor verantwoordelijk om:
voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en
de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2.
Artikel 2.2.5.
Inzet jeugdhulp
Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel