Het betreft gedragingen van een belanghebbende waardoor het niet lukt algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of een verplichting volgens de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende na te komen.
De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 5% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
het niet of niet voldoende uitvoeren van een opgelegde tegenprestatie.
De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van die voorziening;
bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening bedoeld om de kans op werk te vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht ten behoeve van de zorg voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar.
De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
het niet goed genoeg proberen een baan te vinden of daar niet beschikbaar voor zijn;
het niet aannemen van een baan;
als er voor de beëindiging van het dienstverband van belanghebbende een dringende reden is in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en die reden komt door belanghebbende als bedoeld in artikel 20, eerste lid onder a van de IOAW, of artikel 20, tweede lid onder a van de IOAZ;
belanghebbende heeft het dienstverband zelf gestopt terwijl er geen redenen waren om dat te doen.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 9.
Gedragingen IOAW en IOAZ
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Uithoorn 2023