Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 8.

Algemene bepalingen over voorzieningen

Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet Uithoorn 2023

1.. Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en voor zo ver het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. 2.. Tot de doelgroep behoren de personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet. 3.. De personen, die een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen, kunnen naar het oordeel van het college aanspraak maken op middelen uit het Participatiebudget als: de resterende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet 3 maanden of korter bedraagt, en de persoon op basis van een toets ingevolge de wet, IOAW of IOAZ naar alle waarschijnlijkheid op termijn in aanmerking komt voor een dergelijke uitkering. 4. . Niet-uitkeringsgerechtigden komen niet in aanmerking voor voorzieningen die een bijdrage leveren in de kosten levensonderhoud, waaronder begrepen een tijdelijke loonkostensubsidie. 5. . Niet-uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling onder voorwaarde dat: betrokkene werkloos is en ten minste drie maanden als werkzoekende staat ingeschreven bij UWV Werkbedrijf, én naar het oordeel van het college, binnen 12 maanden een reëel uitzicht op werk heeft; én het inkomen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen; het vermogen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen. 6. . Bij een aanbod zoals bedoeld in het vijfde lid gelden de volgende voorwaarden: de ondersteuning bij arbeidsinschakeling moet binnen maximaal 1 jaar (12 maanden) uitzicht bieden op werk; de aanvraag is niet gericht op positieverbetering; én aIs een eerder ingezette voorziening verwijtbaar voortijdig beëindigd is, dan is er gedurende maximaal 2 jaar geen recht op ondersteuning. 7. . Als een re-integratievoorziening is gestart, dient belanghebbende deze af te ronden. Alleen indien de belanghebbende duurzame arbeid heeft verworven en overleg heeft gehad met het college, kan hij de re-integratievoorziening voortijdig beëindigen. 8. . Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen, naast re-integratiebedrijven, afspraken maken met derden, waaronder werkgevers. 9. . Het college kan een voorziening weigeren als: de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 10. . Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 11. . Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 12. . Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel