(artikel 4.7 Wmo-verordening 2015)
Inleiding
Normaal gebruik van de woning
Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Voor een kind is spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid ook een elementaire woonfunctie.
Problemen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Om verschillende redenen zal dat niet altijd zo kunnen zijn. Die redenen kunnen gelegen zijn in de persoon met beperkingen, dan wel in de aard van de woonruimte.
Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden versterkt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft tot doel het tot rust doen brengen van personen met een specifieke beperking.
Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar
De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning.
Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning. Ook moeten de problemen in of bij de woning zelf ondervonden worden.
Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn in principe geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken.
De woonruimte
Onder woonruimte wordt verstaan:
een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden;
een woonwagen als bedoeld in de Woningwet;
een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet;
een verblijf van een binnenschip als domicilie is gekozen in Amsterdam, blijkens het openbaar register voor schepen.
Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon, voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Ook kan worden voorzien in een stalling voor een vervoersvoorziening. Reguliere parkeerplaatsen vallen echter niet onder het begrip ‘woning’; de toegang tot het trottoir evenmin.
Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening.
Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan Amsterdammers die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt, namelijk het logeer- en bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan de instelling waar de Amsterdammer woont (zie verder onder 4.8.2 ‘Woonruimteaanpassingen’). Amsterdammers die met een Wlz-indicatie zelfstandig wonen en hun eigen woonlasten betalen, kunnen in aanmerking komen voor woonvoorzieningen.
Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, her te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur op losse schroeven staat.
Bij verhuizing naar een onzelfstandige woonruimte is het slechts mogelijk voor woonvoorzieningen in aanmerking te komen, indien de woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, personen met beperkingen of een daarmee vergelijkbare woonvorm. De bewoners dienen te beschikken over een individueel huurcontract of (mede)eigenaar te zijn.
Voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten.
Achterstallig onderhoud
De gemeente is niet gehouden voorzieningen te verstrekken als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften.
Integrale beoordeling
Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden, begeleiding of compensatie vanuit de Wlz of Zvw kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders of verzorgers. Ook wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning.
Bij de indicatie voor woonruimteaanpassingen wordt beoordeeld welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de gehele woonruimte langdurig geschikt te maken. Ook wordt beoordeeld of de aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn.
Primaat verhuizen
Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook een aantal vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. Voorwaarde om voor subsidiëring van een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag. Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. Of een woning aangepast wordt, is mede afhankelijk van de vraag of aangepaste of geschikte woningen beschikbaar zijn, van de sociale omstandigheden maar ook van de beoordeling of aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn en welke voorziening de goedkoopst adequate is.
Geschikte woning beschikbaar
Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het ondoelmatig om zijn woning aan te passen. Het kan echter enige tijd duren voordat een meer geschikte woonruimte vrijkomt die eventueel aanzienlijk goedkoper kan worden aangepast.
Als redelijke termijn wordt een periode van twee jaar beschouwd. Een meer geschikte woning is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast.
Voorrangsregeling van hoog naar laag
Deze regeling van de Amsterdamse woningcorporaties biedt 65 plussers, die aan een aantal voorwaarden voldoen, de gelegenheid om in hun eigen buurt te verhuizen van een hooggelegen woning naar een woning op de begane grond, de eerste verdieping of een woning welke bereikbaar is met lift. 65 plussers met een toekenning voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing (Wmo verhuiskostenvergoeding) en 70 plussers houden hun oude huur (maken dus geen huursprong), tenzij er wordt verhuisd naar een nieuwbouwwoning. Andere 65 plussers kunnen gebruik maken van de regeling maar behouden niet de huur van hun oude woning.
Van de persoon met beperkingen van 65 jaar of ouder wordt verwacht dat hij gebruik maakt van de voorrangsregeling van hoog naar laag, indien van toepassing. Gebruikmaking van deze regeling vergroot de kans op het vinden van een geschikte woning binnen een redelijke termijn.
Afwijkingen van primaat verhuizen
a. Sociale participatie en maatschappelijke activering
Van het primaat verhuizen kan worden afgeweken als een verhuizing zal leiden tot een aanmerkelijke verschraling van het leven, bijvoorbeeld door het verlies van de sociale infrastructuur van de persoon met beperkingen. Het sociale netwerk speelt bij de afweging een belangrijke rol. Hierbij wordt betrokken: de aanwezigheid van mantelzorg in de directe woonomgeving (bijvoorbeeld familieleden die in de buurt wonen); de aanwezigheid van verschillende voorzieningen; de binding met het stadsdeel. Als dit netwerk een essentiële bijdrage levert aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen van de persoon met beperkingen dan kan dit een aanleiding zijn om van het primaat verhuizen af te wijken. Als 65 plussers gebruik kunnen maken van de voorrangsregeling van hoog naar laag is er geen reden om af te wijken van het primaat verhuizen.
b. Medische contra-indicatie
Als er een (sociaal-)medische contra-indicatie is voor verhuizing van de aanvrager en/of de partner vervalt het primaat verhuizen.
c. Eigenaar/bewoner
Voor een eigenaar/bewoner van een woonruimte zal verhuizing andere gevolgen hebben dan wanneer men een woning huurt. Voor een eigenaar/bewoner heeft een verhuizing, behalve het vinden van een geschikte woning, tot gevolg dat moet worden overgegaan tot verkoop van het huis. Indien de kosten van de aanpassingen hoger zijn dan het in het Financieel besluit vastgestelde bedrag, dan kan de gemeente eigenaar/bewoners de keuze bieden tussen maximaal het bedrag genoemd bij het primaat verhuizen en als zodanig vastgelegd in het Financieel besluit, of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing.
4.8.1 Financiële tegemoetkoming verhuizen
aProductbeschrijving
Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing, inclusief de inrichting, is een forfaitair bedrag dat wordt toegekend aan
een persoon met beperkingen bij verhuizing naar een geschikte, eventueel nog te verbouwen woning of een interim woning;
een persoon die ten behoeve van een persoon met beperkingen verhuist uit een rolstoelwoning met als doel de rolstoelwoning leeg achter te laten.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een door het college vastgesteld bedrag. De beschikking is maximaal vier jaar geldig. Daarnaast geldt in beginsel dat de aanvrager niet opnieuw in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing indien de eerder verstrekte indicatie onbenut is gebleven en de aanvrager niet regelmatig op een woning van WoningNet heeft gereageerd.
Voor de hoogte van de tegemoetkoming is de verhuisdatum bepalend. Men kan dus in aanmerking komen voor een ander forfaitair bedrag dan oorspronkelijk in de beschikking is toegezegd. Dit doet zich voor als tussen de datum van de toezegging van de tegemoetkoming en de daadwerkelijke verhuizing het door het college vastgestelde bedrag is aangepast.
De Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 kent een bijzondere volgordebepaling (artikel 2.4.7, zesde lid) op grond waarvan bepaalde woningzoekenden eerder in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor een rolstoelwoning dan andere woningzoekenden. Het artikel onderscheidt drie categorieën woningzoekenden. Amsterdammers aan wie een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing naar een rolstoelgeschikte woning is toegekend, worden ingedeeld in één van deze categorieën.
bVoorwaarden voor verstrekking
Aan persoon met beperkingen
a. Wegens beperkingen in het normale gebruik is verhuizing medisch noodzakelijk.
Er moet zijn vastgesteld dat wegens beperkingen in het normale gebruik van de woning verhuizing medisch noodzakelijk is. Van noodzaak is slechts sprake indien de beperkingen niet te voorzien waren, doordat ze bijvoorbeeld plotseling ontstaan zijn en het normale gebruik van de woning daadwerkelijk belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning. De beperkingen moeten voorts in of bij de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
b. Verhuizen naar zelfstandige woning.
Uitgangspunt is dat men naar een - zelfstandige - woning gaat verhuizen, en niet naar kamers of een niet-zelfstandige woonruimte. Van een niet-zelfstandige woonruimte is sprake, als de wezenlijke voorzieningen zich buiten de eigenlijke woonruimte bevinden. Als wezenlijke voorzieningen worden de keuken en het toilet aangemerkt.
c. Verhuizen naar geschikte woning.
De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de te betrekken woonruimte voldoet aan de gestelde wooneisen en aan de overige voorwaarden uit de Wmo-verordening 2015. De eisen waaraan de nieuwe woonruimte moet voldoen worden in de beschikking opgenomen. In de beschikking wordt de toezegging gedaan dat een financiële tegemoetkoming van een verhuizing wordt toegekend, onder voorwaarde dat in de (nog te zoeken en te vinden) woning de beperkingen zullen worden weggenomen of aanzienlijk verminderd. Als een woonruimte beschikbaar is die voldoet aan de wooneis bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zullen zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen.
d. Verhuizen naar interim-woning.
Personen die verblijven in een revalidatiecentrum moeten vertrekken nadat de behandeling voltooid is. Als hun woning ongeschikt is en ook niet geschikt is te maken, is een verhuizing onvermijdelijk. Het kan voorkomen dat op korte termijn geen geschikte (rolstoel)woning beschikbaar is. Omdat verblijf in het revalidatiecentrum niet meer noodzakelijk is, bestaat dan de mogelijkheid te verhuizen naar een interim-woning. Dat is een (rolstoel)woning die niet geheel voldoet omdat hij te klein is (bijvoorbeeld te weinig kamers in relatie tot de gezinsgrootte) of in een verkeerd deel van Amsterdam ligt (bijvoorbeeld vanwege mantelzorg).
In afwachting van het beschikbaar komen van een woning die wel voldoet, kan men verhuizen naar een interim-woning en dan een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing krijgen. Bij de daaropvolgende verhuizing naar de ‘definitieve’ (wel passende) rolstoelwoning kan men wederom in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Dit wordt bij de verhuizing naar de interim-woning vastgelegd in de beschikking. De aanpassingen die aan de interim-woning zullen plaatsvinden, zijn minimaal.
Uitsluitingen
a. Oude woning verlaten voordat aanvraag is ingediend.
Woont een persoon met beperkingen niet meer in de woonruimte op het moment dat een aanvraag wordt ingediend, dan dient de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing achteraf beoordeeld te worden. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Voor huurders geldt dus dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in beginsel niet verleend wordt als een huuropzegging heeft plaatsgevonden voordat bij de gemeente een aanvraag is ingediend. Als huuropzegging wordt beschouwd de laatste dag waarop voor de te verlaten woning nog huur verschuldigd was en leeg opgeleverd moet worden. Voor woningeigenaren geldt hetzelfde: de aanvraag moet zijn ingediend voor de dag waarop de woning leeg opgeleverd moet zijn.
Als de aanvraag voor huuropzegging, of in geval van verkoop voor het leeg opleveren van de woning, is ingediend dan is het college in de gelegenheid advies in te winnen over de aard en omvang van de door belanghebbende ondervonden beperkingen en aan de hand van de door de extern adviseur uitgebrachte rapportage uit te maken wat in de gegeven omstandigheden de meest adequate oplossing is. Het college zal op basis hiervan een beslissing nemen over de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing.
b. Verhuizen naar bijzonder type woonruimte.
Een financiële tegemoetkoming is uitgesloten voor verhuizing naar een woonruimte die niet bestemd is om het gehele jaar te bewonen (bijvoorbeeld verhuizing naar vakantiehuizen). Als verhuisd wordt naar een Wlz-instelling, verzorgingshuis, verpleeghuis of een andere mede door de Wlz gefinancierde woonzorgvorm dan komt de persoon met beperkingen niet voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in aanmerking. Bij verhuizing naar een woonruimte waarvoor geen huurovereenkomst maar een verzorgingsovereenkomst is afgesloten komt men niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking.
c. Algemeen gebruikelijke verhuizingen.
De kosten van een algemeen gebruikelijke verhuizing geven de persoon met beperkingen geen meerkosten ten opzichte van anderen. Daarom wordt bij een algemeen gebruikelijke verhuizing geen financiële tegemoetkoming toegekend. Voorbeelden zijn:
Voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, en immigranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen, en vervolgens een eigen woonruimte betrekken. Dit geldt ook voor remigranten;
Verhuizen om economische redenen: een verhuizing die noodzakelijk is omdat elders ander werk wordt aanvaard;
Langzaam toenemende beperkingen, waarbij is te voorzien dat er op termijn aanpassingen in de woning nodig zijn;
Verhuizen uit een woning waarvan duidelijk is dat bewoning tijdelijk is, bijvoorbeeld omdat er een tijdelijke huurovereenkomst is die eindig is op redelijk korte termijn.
Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. De capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien wordt ook bij de afweging betrokken.
Aan persoon zonder beperkingen
De gemeente stelt voor een verhuizing, waardoor een rolstoelgeschikte woning vrijkomt voor een persoon met beperkingen, een financiële tegemoetkoming beschikbaar. Sinds
1 augustus 2003 kan op grond van het huurrecht in het huurcontract een bepaling worden opgenomen waardoor verhuizing van de achtergebleven huisgenoten na vertrek of overlijden van de persoon met beperkingen niet langer een vrijwillige aangelegenheid is, maar rechtens afdwingbaar.
4.8.2 Woonruimteaanpassingen
aProductbeschrijving
Woonruimteaanpassingen zijn voorzieningen die bestaan uit een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht. Dat betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning zijn te verwijderen zonder daarbij gebruik te maken van gereedschap. Losse woonvoorzieningen, zoals doucherolstoelen, kan men ‘onder de arm’ meenemen. Dit worden daarom roerende woonvoorzieningen genoemd.
Woonruimteaanpassingen beogen de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te maken door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van de belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Doorgaans wordt één verdieping aangepast. Liggen de woonactiviteiten verspreid over meerdere woonlagen, dan doet de gemeente in eerste instantie een appèl op het reorganisatievermogen van de betrokkene en diens sociale omgeving.
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn buitenshuis aanpassingen aan te brengen. Bijvoorbeeld het aanpassen van de oprit naar de woning. Deze aanpassing wordt in het kader van de Wmo verricht omdat de aanpassing noodzakelijk is om de beperkingen die de belanghebbende bij het betreden van de woning ondervindt op te heffen of te verminderen. Een aanpassing buitenshuis kan ook noodzakelijk zijn als de aanpassing het gevolg is van een Wmo-verstrekking, zoals het aanbrengen van een oplaadpunt voor een scootmobiel.
De woonruimte wordt aangepast overeenkomstig het uitvoeringsniveau van een sociale huurwoning.
Bij aanpassingen die naar verwachting de grens van het bij het primaat verhuizen in het Financieel besluit opgenomen bedrag te boven gaan, wordt vanaf de start van de melding het alternatief van verhuizen meegenomen.
Onder woonruimteaanpassingen vallen onder andere: verbreden van deuren, aanpassing in de douche/badkamer (plaatsen van een drempelhulp, aanbrengen van een stroeve douchevloer), aanpassing in de keuken (plaatsen van een onderrijdbare keuken), trapliften, vaste patiëntenlift (plafondlift). Ten behoeve van elektrische rolstoelen en/of scootmobielen tevens het aanleggen van een elektriciteitsvoorziening voor het opladen van accu's en aanpassing van de bestrating. De verhoogde toiletpot (6+ en 10+) en het plaatsen van beugels en steunen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd.
bVoorwaarden voor verstrekking
Hoofdverblijf
Op grond van de Wmo-verordening 2015 beperkt het verlenen van woonvoorzieningen zich tot het hoofdverblijf van de persoon met beperkingen. Een aanpassing is in beginsel alleen mogelijk van een woonruimte waar de belanghebbende daadwerkelijk zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft.
Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin een belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Het college bepaalt of eenmalig een woonruimte wordt aangepast waar een persoon met beperkingen vaak verblijft. Het gaat dan om het bezoekbaar maken van een woonruimte door woonruimteaanpassingen voor het toegankelijk maken van de entree, de woonkamer en het toilet. De belanghebbende verblijft in die woonruimte slechts beperkt en het is dan ook redelijk, dat geen volledige, maar een beperkte aanpassing plaatsvindt.
Het komt met name bij kinderen die in een Wlz-instelling verblijven steeds vaker voor dat zij in de weekends en gedurende de vakanties voor een langere periode naar het ouderlijk huis gaan. Daarom is het ook mogelijk de ouderlijke woning logeerbaar te maken. Hierbij gaat het om het toegankelijk maken van de woning en het toegankelijk en bruikbaar maken van de slaapkamer, de douche en het toilet.
Naar analogie van het beleid ten aanzien van kinderen die in een Wlz-instelling verblijven, kan ook, indien de ouders van een gehandicapt kind gescheiden leven, de tweede woning worden aangepast en logeerbaar worden gemaakt. Daarbij moet worden gedacht aan de situatie van gehandicapte kinderen die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Het spreekt voor zich dat dit alleen geldt voor woningen in Amsterdam. Voor roerende woonvoorzieningen geldt dat in beginsel slechts één roerende voorziening wordt verstrekt waarover ouders onderling afspraken maken.
Gemeenschappelijke ruimten
Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld de aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang van het woongebouw) wordt alleen dan verstrekt als de persoon met beperkingen de toegang tot de woonruimte uitsluitend vanuit de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken na het realiseren van deze aanpassing. De gemeenschappelijke ruimten betreffen voornamelijk entrees, trapportalen en portieken van woongebouwen. Het aanpassen van een gemeenschappelijke recreatieruimte wordt niet gecompenseerd.
Woonwagens, woonschepen en binnenschepen
Voor woonwagens met een vaste standplaats, woonschepen met een officiële ligplaats en het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde regels als voor zelfstandige woningen.
Personen met beperkingen ondervinden in deze woonvormen echter eerder problemen die ook ernstiger van aard zijn dan bij woningen. Dit houdt verband met de specifieke vormgeving van deze woonvormen.
Aanpassingen moeten passen in het karakter van woonschepen en woonwagens. Aanvragen voor een overdekte overgang van de woonwagen naar het douche-/toiletgebouw komen bijvoorbeeld niet voor een vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de wagen bevindt.
Woonwagens, woonschepen en binnenschepen hebben een kortere levensduur dan woningen. De voorziening kan slechts worden toegekend indien de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de (technische) levensduur van de woonvorm. Hieronder wordt verstaan dat een woonschip en een woonwagen alleen aangepast worden als de resterende technische levensduur minimaal vijf jaar is en de lig- c.q. standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt.
ADL-woningen
Een ADL-woning is een woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke woningen (onder andere bekend als Fokuswoningen). ADL-woningen zijn bedoeld voor mensen met een zwaar lichamelijke beperking die zijn aangewezen op hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL-assistentie) vanuit een centraal gelegen unit.
Individuele woonvoorzieningen in bestaande ADL-woningen worden verstrekt in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hiermee is het aanspraakniveau van woonvoorzieningen in ADL-woningen gelijk aan dat van alle andere Amsterdamse woningen.
Voor de volgende collectieve voorzieningen kunnen bewoners niet bij de Wmo terecht: het alarmintercomsysteem, het sanitair (waaronder het hoog/laagbad) en de deurmotoren in de ADL-unit.
Traplift
Bij het overbruggen van hoogteverschillen bij het betreden van de woning en bij het verplaatsen binnenshuis kan het installeren van een of meer trapliften een adequate oplossing zijn. Uitgangspunt voor toekenning van de voorziening is dezelfde als bij de afweging aanpassen/verhuizen.
Bij plaatsing van trapliften in gemeenschappelijke trapportalen moet worden voldaan aan de eisen van de brandveiligheid zoals die door het college van burgemeester en wethouders zijn vastgesteld.
Bedieningselementen
Om het normale gebruik van deuren, keukenkastjes en dergelijke mogelijk te maken, kan het noodzakelijk zijn een voorziening te treffen. Voorbeelden zijn het aanbrengen van elektrische deuropeners, bedieningsapparatuur voor (buiten)zonwering, maar soms ook voor het installeren van speciale knoppen op de centrale verwarming, de thermostaat van de centrale verwarming voor blinden of slechtzienden of speciale knoppen op keukenkastjes, waarbij deze worden beschouwd als vast onderdeel van de keuken.
Bedieningselementen die in relatie staan tot aard- en nagelvaste zaken in de woning worden wel verstrekt, maar als het gaat om de bediening van losse of inrichtingselementen wordt geen voorziening verstrekt (zoals voor speciale knoppen op het gasfornuis of op kasten).
Voor het openen en sluiten van gordijnen geldt een uitzondering. Indien installeren van een bedieningselement (een motor) de enige oplossing is, is verstrekking hiervan wel mogelijk.
Stalling van een scootmobiel
Voor verstrekking van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of te realiseren moet zijn. Het betreft een voorziening die het mogelijk maakt de scootmobiel te stallen en op te laden. Dit kan op drie verschillende manieren:
bij de woning: plaatsen van haak en oplaadpunt en leveren van beschermhoes, onder voorwaarde dat de persoon met beperkingen de haak, het oplaadpunt en de hoes kan hanteren;
binnen de woning of wooncomplex: aanpassing van bestaande berging, aanpassing binnenruimte van de woning of aanpassing gemeenschappelijke ruimte wooncomplex;
bij de woning: vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een openbare overdekte stalling.
Indien er een scootmobielpool is en de persoon met beperkingen kan hier gebruik van maken is dat een voorliggende oplossing en worden geen aanpassingen ten behoeve van stalling gedaan. Als er geen geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is en een eventuele scootmobielpool is geen adequate oplossing dan wordt beoordeeld welke van de drie manieren de goedkoopst adequate oplossing biedt.
Uitsluitingen
a. Ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden
Als een ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden - bijvoorbeeld een slaapkamer wordt studeerkamer of hobbykamer – beperkt de aanpassing zich tot het toegankelijk en bruikbaar maken van de ruimte voor zover het de oorspronkelijke functie betreft, in dit geval dus van slaapkamer. Alles wat extra nodig is om van die ruimte een hobbykamer of studeerkamer te maken, komt voor eigen rekening.
b. Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt
Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt zijn uitgesloten omdat zij geen problemen in het normale gebruik van de woning wegnemen. Het gaat bijvoorbeeld om het plaatsen van een ligbad. De uitraasruimte, waar later nog op terug wordt gekomen, vormt hier een uitzondering op.
c. Aanpassingen ten behoeve van derden
Aanpassingen ten behoeve van derden zijn niet mogelijk, bijvoorbeeld ter voorkoming van door de persoon met beperkingen veroorzaakte geluidsoverlast, uit oppas- of verzorgingsoverwegingen (bijvoorbeeld de aanbouw van een kamer voor een verpleegkundige).
d. Verhuizing naar ongeschikte woning
Bij verhuizing naar een ongeschikte woning komen de noodzakelijke aanpassingen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat bij een dergelijke verhuizing de problemen voorzienbaar waren.
e. Inrichtingselementen
Het aanbrengen van inrichtingselementen, zoals kasten, (keramische of inductie) kookplaten, stoffering en zonneschermen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ook centrale verwarmingsinstallaties en douches worden niet aangebracht in de woning. Dit zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen die vallen onder woningverbetering en het aanpassen van een woning aan de eisen van de tijd.
Eigenaar/bewoner
Bij aankoop van een (nieuwbouw)woning worden geen woonvoorzieningen verstrekt als ten tijde van het sluiten van het definitieve koopcontract te voorzien was dat in deze woonruimte aantoonbare beperkingen zouden worden ondervonden. Zou een hoger bedrag dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag nodig zijn, dan is men voor verstrekking vanuit de Wmo verkeerd verhuisd. Het is dus van belang dat vooraf, in opdracht van het college, een bouwkundige beoordeelt of de woning geschikt is en wat de eventuele kosten van een noodzakelijke woningaanpassing zullen zijn.
Medewerking woningeigenaar
In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is in artikel 2.3.7 vastgelegd dat, als het college heeft besloten om een woningaanpassing te verstrekken voor een woning waarvan de Amsterdammer met beperkingen niet de eigenaar is, het college dan wel de Amsterdammer met beperkingen, bevoegd is om zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing aan te (laten) brengen. De gemeente dient wel vooraf de woningeigenaar te horen.
De medewerking van verhuurders kan worden gestimuleerd door het verlenen van een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving.
Het plaatsen van een of meer trapliften in een gemeenschappelijk trappenhuis is daarnaast onderhevig aan de eisen van brandveiligheid die de gemeente Amsterdam hiervoor hanteert.
Het is aan de woningeigenaar om medebewoners over de aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten te informeren.
4.8.3Roerende woonvoorzieningen
Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Het gaat uitsluitend om tilliften en losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn.
Tilliften
a Productbeschrijving
De tillift is een hulpmiddel voor transfers in en uit het bed, naar en van het toilet enzovoort. Het verplaatsen van een persoon met beperkingen vanuit en naar de rolstoel kan in een aantal gevallen problemen opleveren. Een tillift kan dan een oplossing bieden.
Er zijn verschillende soorten tilliften, te weten: vaste of plafondliften (deze vallen onder de woonruimteaanpassingen omdat ze aard- en nagelvast zijn aangebracht in de woning) en losse mobiele tilliften. De tillift wordt in bruikleen verstrekt of als Pgb.
bVoorwaarden voor verstrekking
Uitgangspunt bij deze voorziening is dat een persoon met beperkingen niet in staat is zelfstandig in en uit bed te gaan, noch zelfstandig in een rolstoel plaats kan nemen. De persoon met beperkingen moet langdurig op het gebruik van deze voorziening zijn aangewezen.
De functiebeperkingen van de betrokkene spelen een belangrijke rol. Een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning kan gebonden zijn aan een bepaald type tillift.
Een mobiele tillift heeft de voorkeur omdat dit doorgaans de goedkoopste oplossing biedt. Of een mobiele tillift mogelijk is hangt af van de bouwkundige situatie ter plekke, de beschikbare ruimte en de noodzakelijke lichaamsondersteuning die de voorziening moet bieden. Als er voldoende ruimte is, kan de keuze vallen op een mobiele tillift, anders ligt een vaste plafondlift meer voor de hand.
Losse sanitaire voorzieningen
aProductbeschrijving
Losse sanitaire voorzieningen zijn hulpmiddelen bij het baden, douchen en toiletgebruik. Op grond van de Wmo komen de volgende voorzieningen voor verstrekking in aanmerking: doucherolstoelen, douchebrancards, badliften en de toiletlift. De toiletstoel, douchestoel, douchetoiletstoel, bad- of douchekruk (al dan niet in hoogte verstelbaar), toiletverhoger (6+ en 10+), badzitje en badplank worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Deze voorzieningen zijn niet algemeen gebruikelijk als het noodzakelijk is dat zij verrijdbaar of kantelbaar zijn of op het individu moeten worden aangepast.
De voorzieningen die voor verstrekking in aanmerking komen krijgt men in bruikleen of als Pgb.
bVoorwaarden voor verstrekking
Uitgangspunt bij de verstrekking is dat een persoon met beperkingen niet staande kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening (zie Wmo-verordening 2015 artikel 3.6) de beperkingen niet (voldoende) opheft.
4.8.4Onderhoud, keuring en reparaties van voorzieningen
aProductbeschrijving
Reparaties, onderhoud en - indien noodzakelijk - keuringen van toegekende voorzieningen, bijvoorbeeld van trapliften, inrichtingen voor het verstellen van keukenblokken, elektromechanische openings- en sluitingsapparaten van deuren, washairs (voor reiniging na toiletgebruik), sanibroyeurs (vermaler bij tweede toilet), halofoons maar ook tilliften, douche- en toiletstoelen.
bVoorwaarden voor verstrekking
Reparatie-, onderhouds- en vervangingswerkzaamheden alsmede eventuele keuringen behoren in principe tot de verplichting van de eigenaar van de woning. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van voorzieningen die in het kader van de Wmo verstrekt zijn, komen echter voor rekening van de gemeente.
4.8.5a Financiële tegemoetkoming tijdelijke huisvesting
aProductbeschrijving
Een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de tweede maand. De tegemoetkoming wordt berekend op basis van het huurbedrag (exclusief eventuele individuele stookkosten) dat per maand is verschuldigd voor de woning die men wel moet huren maar nog niet kan gebruiken vanwege nog uit te voeren woonruimteaanpassingen. Indien de cliënt voor de woning recht heeft op huurtoeslag dan wordt dit in mindering gebracht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming stopt zodra de woonruimteaanpassingen zijn opgeleverd.
bVoorwaarden voor verstrekking
Wanneer een woonruimte van een belanghebbende wordt aangepast, is deze soms genoodzaakt tijdelijk elders te wonen. Ook kan de situatie zich voordoen, dat een belanghebbende of zijn verzorger al een andere woonruimte heeft gehuurd, doch deze nog niet kunnen betrekken, omdat daarin nog aanpassingen moeten plaatsvinden en het niet mogelijk is zonder deze aanpassingen normaal gebruik van de woning te maken. Voor de periode dat dit noodzakelijk is, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden overgegaan.
De tegemoetkoming heeft betrekking op de kosten die gemaakt worden in verband met het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte, het tijdelijke betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte of de huur van de nieuwe woning zolang die nog niet betrokken kan worden. De eerste maand huur wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd, daarom gaat de vergoeding in vanaf de tweede maand van leegstand.
Deze regeling is ook van toepassing op tijdelijke niet-zelfstandige woonruimte als de huidige woning niet meer bruikbaar is en iemand is opgenomen in een verpleeghuis ter revalidatie en de terugkeer naar de eigen woning pas mogelijk is nadat de noodzakelijke aanpassingen zijn uitgevoerd. De tegemoetkoming in de kosten wordt dan verstrekt als voor het verblijf in het verpleeghuis een eigen bijdrage is verschuldigd.
4.8.5b Financiële tegemoetkoming bij huurderving
aProductbeschrijving
Een financiële tegemoetkoming aan de verhuurder voor de kosten van huurderving van een aangepaste (rolstoelgeschikte) woonruimte voor een periode van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf de tweede maand van leegstand. De tegemoetkoming wordt berekend op basis van de kale huur (huur exclusief servicekosten, watergeld, eventuele stookkosten e.d.) van de betreffende woning.
bVoorwaarden voor verstrekking
Zowel gemeenten als verhuurders hebben er belang bij dat al aangepaste woningen weer opnieuw aan personen met een beperking worden toegewezen. Het vinden van een geschikte kandidaat die baat heeft bij de woonruimte zal veelal enige tijd in beslag nemen. Deze vergoeding bevordert dat de desbetreffende aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor personen met een beperking.
Aan de eigenaar van de woonruimte kan een financiële tegemoetkoming worden verleend indien ten gevolge van huurbeëindiging van de aangepaste woonruimte niet direct een geschikte kandidaat aanwezig is en de eigenaar huurinkomsten moet derven.
De eerste maand leegstand wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd bij het leegkomen van een woning en zijn als frictiekosten aan te merken. Daarom gaat de vergoeding in vanaf de tweede maand van leegstand.
Hergebruik
Een woning die eenmaal is aangepast, wordt bij voorkeur ook in de toekomst weer aan een persoon met beperkingen toegewezen. Met de woningcorporaties zijn hierover afspraken gemaakt. Woningen, gebouwd of aangepast voor personen met beperkingen (onder andere rolstoelwoningen en ADL-woningen), zijn opgenomen in een apart bestand en worden voor deze groep gereserveerd. Komt een dergelijke woning vrij, maar is niet direct een geschikte kandidaat voorhanden, dan kan de eigenaar een vergoeding voor huurderving aanvragen. Met geschikte kandidaat wordt een persoon bedoeld voor wie de woning, gelet op diens beperkingen, adequaat is te achten.
~
4.8.6Uitraasruimte
aProductbeschrijving
Ruimte waarin een persoon met beperkingen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.
De volgende woonruimteaanpassingen zijn mogelijk: het verwijderen van gevaarlijke onderdelen uit de slaapkamer van de persoon met beperkingen zoals het omhoog brengen van een radiator en het aanbrengen van veiligheidsglas maar ook het omheinen van de tuin en het afsluitbaar maken van andere (slaap)kamers zodat deze niet ongewenst betreden kunnen worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling de woning te veranderen in een privékliniek.
bVoorwaarden voor verstrekking
In het algemeen komen woonruimteaanpassingen alleen voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van het wegnemen of aanzienlijk doen verminderen van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Voor een beperkte groep kinderen geldt hierop een uitzondering. Het gaat om kinderen met onbeheersbaar en oncontroleerbaar gedrag waarbij normale oppas- en zorgmaatregelen die je van ouders mag verwachten niet voldoende bescherming bieden. Therapeutische behandeling biedt daarbij geen soelaas. Het is dan noodzakelijk een aantal aanpassingen te verrichten in de sfeer van veiligheid die de bruikbaarheid van de woning vergroten.
Zonder aanpassingen is het onmogelijk deze kinderen (langer) thuis te laten wonen. In sommige gevallen kan een verhuizing naar een grotere woning noodzakelijk zijn zodat het betreffende kind over een eigen kamer kan beschikken. Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing behoort dan tot de mogelijkheden.
Het maken van een ‘echte’ uitraasruimte (in een aparte kamer) is in Amsterdam meestal niet mogelijk vanwege de aard van de woningvoorraad: veel kleine huur(etage)woningen. Daarom is gekozen voor de bovenstaande oplossing die toch in bepaalde gevallen uitkomst kan bieden.
De uitraasruimte is niet bedoeld om overlast voor huisgenoten en omwonenden te beperken.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.8
Woonvoorzieningen
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2024