Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voor zover gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (art. 5.40 lid 2 onder b. Omgevingswet);

Onderdeel van Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen milieubelastende activiteiten gemeente Horst aan de Maas

1.. Burgemeester en wethouders gaan over tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning indien gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen of minder handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of minder emissies zijn uitgestoten dan vergund. 2.. In afwijking van lid 1 van dit artikel gaan burgemeester en wethouders over tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning van een veehouderijbedrijf indien een vergunde diercategorie gedurende drie jaar in zijn geheel niet of zeer beperkt (minder dan 40% van de vergunde ruimte) is gehouden. Toelichting: In artikel 5.40 lid 2 onder b. staat dat de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken als het bedrijf gedurende een aaneengesloten periode van één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn niet in gebruik is. Dit houdt concreet in dat als het bedrijf of een gedeelte ervan (de vergunde omvang is niet benut; een op zich zelf staand onderdeel van de inrichting is niet in werking geweest) leeg staat of niet meer gebruikt wordt, de vergunning geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken. In bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de beleidsregel en een langere periode gesteld worden, indien een ondernemer aantoonbaar meer tijd nodig heeft om het bedrijf op te richten of te wijzigen. Met het 'verrichten van handeling met gebruikmaking van de vergunning’ wordt verwezen naar inspanningen om de vergunde activiteit uit te kunnen voeren of het in werking hebben van de vergunde activiteit. In jurisprudentie is vastgelegd dat de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteit intact blijft bij gebruik maken van minimaal 40% van de vergunde ruimte. Hierbij moet wel worden aangetoond dat dit onderdeel is van de bedrijfsvoering. Voor veehouderijbedrijven is in lid 2 van dit artikel bepaald dat alleen tot (gedeeltelijke) intrekking wordt overgegaan als een diercategorie (Hoofdcategorie als bedoeld in de Omgevingsregeling) gedurende een periode van drie jaar in zijn geheel niet of zeer beperkt (minder dan 40% van de vergunde ruimte) is gehouden. Hiermee wordt voorkomen dat het intrekkingsbeleid ook van toepassing is op die situaties waarbij sprake is van tijdelijke onderbezetting bij diercategorieën. Dit is om de volgende redenen niet gewenst: Het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning vanwege onderbezetting leidt tot veel juridische procedures. Ook is de bewijslast voor deze situaties een stuk moeilijker. Bij het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning vanwege onderbezetting zullen ondernemers voor een maximale productiecapaciteit zorgen. Voor het milieu is dat niet gewenst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel