De invoering van de Omgevingswet (Ow) is op 1 januari 2024. Deze nieuwe wet integreert de vele wetten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals de Wet milieubeheer (Wm) en de Waterwet. Dit heeft als gevolg dat de positie van het Wrp wijzigt ten opzichte van het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) onder de Wet milieubeheer. In deze paragraaf hebben we dit nader uitgewerkt, vanuit het volgende schema:
Koppeling met het Programma Klimaatadaptatie
Het Programma Klimaatadaptatie beschrijft de integrale aanpak voor klimaatadaptatie met het doel om in 2050 klimaatadaptief te zijn. Het reikt hiervoor kaderstellende doelen aan voor een uitwerking in sectorale plannen: een waterplan, een groenplan en een hitteplan.
De effecten van de klimaatverandering raken nauw aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. De juiste uitvoering van de riool- en watertaken draagt bij aan de integrale aanpak van droogte, toenemende hitte en wateroverlast. Een deel van de klimaat-maatregelen is bovendien te financieren vanuit de riool- en waterzorgheffing, vanuit onderhavig programma. Door klimaatadaptatie mee te nemen bij de invulling van de watertaken, wordt een groot deel van de kaderstellende doelen voor het waterplan uitgewerkt.
Met het samenvoegen van het waterplan en de opvolger van het GRP tot onderhavig Wrp ontstaat een samenhangend geheel. Hiermee is de reikwijdte van het Wrp afgebakend. De drinkwatervoorziening (PWN) en rioolwaterzuivering (waterschap) vallen buiten de scope van de gemeentelijke zorgplichten bij de riool- en watertaken. Dit geldt ook voor thema’s als waterrecreatie, viswater en de bluswatervoorzieningen. De uitwerking van deze thema’s krijgt een plek in de overige (nog op te stellen) programma’s.
Koppeling met de omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Uithoorn 2040 (GOVI) is reeds vastgesteld. Hierin staat een globale beschrijving van de samenhang tussen boven- en ondergrond, grondwaterkwantiteit en -kwaliteit, grondwater- en oppervlaktewatersysteem en de maatschappelijke opgaven inclusief de rol van de diverse overheden hierin. Daarnaast biedt de GOVI handvatten voor het toekomstige beheer van het grond- en oppervlaktewater en de bodem. Bij het vaststellen van de omgevingsvisie moeten de overheden rekening houden met het voorzorgsbeginsel, het preventiebeginsel en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden. Ook moet de omgevingsvisie aangeven hoe bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken (motiveringsplicht, art. 10.7 Ow). Te zijner tijd wordt het Wrp gepositioneerd in ons gemeentelijk beleidshuis.
Koppeling met omgevingsprogramma's
Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen maken hun omgevingsvisies operationeel in programma's (afd. 3.2 Ow). In de programma’s wordt het beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer of de bescherming van de fysieke leefomgeving uitgewerkt en zijn maatregelen op te nemen om aan omgevingswaarden te voldoen of om andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Programma’s binden alleen het vaststellende bestuursorgaan zelf en kennen dus geen hiërarchie en geen doorwerking in juridische zin. Het omgevingsplan en de verordeningen kennen deze doorwerking daarentegen wel. Monitoring van de programma’s vindt plaats vanuit de nog op te stellen Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s).
Koppeling met omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat voor de gehele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de regels die hierbij nodig zijn (art. 4.2 Ow). Ook kan een gemeente omgevingswaarden (art. 2.11 Ow) of maatwerkregels (art. 4.6 Ow) opnemen, mits de algemene rijksregels of de omgevingsverordening van de provincie daarvoor ruimte bieden. Wij geven hier invulling aan door de (eventuele) beleidsregels die gericht zijn op inwoners en bedrijven te laten landen in een Omgevingsplan.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.2
Relatie met het Programma Klimaatadaptatie en de Omgevingswet
Onderdeel van Water- en rioleringsprogramma Uithoorn