Naar hoofdinhoud
8.1. De vaststelling en verantwoording van subsidie vindt plaats op basis van het werkelijke aantal bezette peuterplaatsen. Daaronder wordt verstaan: het aantal werkelijk afgenomen uren per werkelijk bezette peuterplaats voor maximaal 40 weken in het kalenderjaar (regulier en VE-/geïndiceerde peuters) op basis van een door de gemeente ontwikkeld registratieformulier en vastgesteld met een accountantsverklaring betreffende subsidiebedragen boven de 50.000 euro, aanvullend aan de in de ASV opgenomen verplichtingen rondom eindverantwoording, ook al is dat in het voorgaande jaar niet gebeurd. 8.2. Uiterlijk 15 maart van het jaar, volgend op het jaar waarin de subsidie is besteed, rapporteert de houder van de gecertificeerde voorschoolse voorziening over het totaal van de hierna vermelde per halfjaar verkregen gegevens. 8.3. Indien bij vaststelling blijkt dat er sprake is van minder bezette VE- of reguliere peuterplaatsen (het aantal afgenomen uren per werkelijke bezette peuterplaats regulier en VVE), wordt het teveel aan verleende subsidie teruggevorderd. 8.4. De vaststelling en verantwoording van subsidie voor de activiteit in artikel 3a (PBM VE) vindt plaats op basis van het daadwerkelijk aantal geïndiceerde peuters op peildatum 1 januari 2van het subsidiejaar. Wanneer bij de verantwoording blijkt dat het aantal daadwerkelijk deelnemende geïndiceerde peuters bedoeld in artikel 5.7 behorende bij artikel 3a.1, meer dan 50% afwijkt in de loop van het kalenderjaar t.o.v. het daadwerkelijke aantal VVE-doelgroepkinderen op 1 januari van het subsidiejaar, gaat de gemeente met de desbetreffende organisatie in gesprek over de reden van afwijking ten aanzien van de aanvraag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel