Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3

Artikel 3.3.3

Autoparkeernormen gelden als een maximum en minimum

Onderdeel van Beleidsregels Parkeernormen Delft 2023

Bij het toepassen van de parkeernormen voor de auto is het uitgangspunt dat er niet meer, maar ook niet minder parkeerplaatsen gerealiseerd worden dan de parkeernormen aangeven. De aanleg van minder autoparkeerplaatsen is alleen mogelijk als een initiatiefnemer een parkeerreductie onderbouwt (zie hoofdstuk 5). In de Delftse binnenstad gaan we iets anders om met de parkeernormen voor de auto: Geen nieuwe autoparkeerplaatsen in het autoluw-plusgebied Binnen het autoluw-plusgebied in de binnenstad mogen bij bouwontwikkelingen geen parkeerplaatsen voor auto’s worden toegevoegd op eigen terrein – zowel voor vaste gebruikers als voor bezoekers. Extra autoverkeer is hier namelijk ongewenst. Hier geldt de autoluw-plusregeling en is de autoparkeernorm gelijk aan nul. Niet meer bouwen dan de norm in de binnenstad, minder mag wel In de Delftse binnenstad wordt alleen nog vastgelegd hoeveel autoparkeerplaatsen er maximaal mogen komen. Een initiatiefnemer heeft de vrijheid om minder of zelfs geen autoparkeerplaatsen (op eigen terrein) te realiseren. Het minimumaantal aan te leggen parkeerplaatsen is dus gelijk aan nul. Dit geldt expliciet niet voor het fietsparkeren bij bouwontwikkelingen in de binnenstad. Ook daar moet voldaan worden aan de fietsparkeernormen. Afwijken van maximumnorm voor de auto Vaak wordt gesproken over het realiseren van minder parkeerplaatsen, maar het is mogelijk dat de wens bij een initiatiefnemer bestaat om meer autoparkeerplaatsen te maken dan volgens de parkeernorm maximaal toegestaan is. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om kleine nieuwbouw ontwikkelingen waarbij de parkeergarage onder het gebouw iets meer parkeerplaatsen heeft dan volgens de norm is toegestaan. Wanneer de afwijking geen substantieel hogere automobiliteit oplevert, dan kan het college van B&W een afwijking naar boven toestaan.

Rechtspraak bij dit artikel