Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie gelden de volgende uitgangspunten:
Het uitzetten van overtollige middelen mag alleen plaatsvinden bij:
financiële instellingen tot het drempelbedrag,
de schatkist van het Ministerie van Financiën
een decentrale overheid niet zijnde de toezichthoudende provincie;
Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden zijn rekening-courant, daggeld, spaarrekeningen, deposito’s en Nederlands staatspapier.
Bij het extern uitzetten van gelden tot aan het drempelbedrag bij financiële instellingen zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan;
Overtollige liquide middelen kunnen bij de schatkist of bij een decentrale overheid (niet zijnde de toezichthouder) op deposito worden gezet met looptijden tussen 1 week of 12 maanden om zo een hoger rendement te genereren. Dit enkel onder de voorwaarde dat uit de liquiditeitenprognose blijkt dat deze middelen minimaal gedurende de looptijd van het deposito niet hoeven te worden ingezet.