Naar hoofdinhoud

3.

Artikel 3

Toetsingscriteria

Onderdeel van Beleidsregel Uitwegen Het Hogeland

In artikel 2:12, derde lid, van de APV staan vier gronden op basis waarvan het college het maken of veranderen van de uitweg verbiedt: - indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; - indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; - indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; - indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. Deze gronden worden hieronder nader uitgewerkt. Het verbod om een tweede uitweg aan te leggen indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen blijft daarbij buiten beschouwing. Het college heeft hierin namelijk geen beoordelingsruimte of ruimte voor een belangenafweging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 april 2020, vindplaats: ECLI:NL:RBNHO:2020:2710). - Indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht. Daarvan is in ieder geval sprake als de uitweg is voorzien: aan een gebiedsontsluitingsweg, tenzij de wegbeheerder hiermee instemt; binnen 5 meter van de bocht bij een rotonde, kruising of splitsing van wegen; binnen 5 meter van een voetgangers- of fietsoversteekplaats; binnen (in de rijrichting) 12 meter achter en 5 meter voor een bushaltepaal, tenzij de feitelijke situatie naar het oordeel van het college aanleiding geeft om hiervan af te wijken; bij een verkeersdrempel, wegversmalling of kruispuntplateau; op een plaats waar het zicht op het verkeer op de weg onvoldoende is. Denk bijvoorbeeld aan een onoverzichtelijke bocht, hoge struiken of andere uitzichtbelemmerende objecten; op een plaats waar verlichting of bebording is aangebracht en deze uit oogpunt van veilig gebruik van de weg niet verplaatst kan worden; op een plaats waar straatmeubilair, een nutsvoorziening of een andere obstakel dient te worden verplaatst, terwijl in de directe omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor het obstakel is of de eigenaar van het obstakel geen toestemming geeft voor het verplaatsen ervan. - Indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg in ieder geval indien: dit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats die, bijvoorbeeld door markeringen op het wegdek, specifiek als zodanig is aangegeven; de parkeerdruk in het gebied / de straat naar het oordeel van het college te hoog is. - Indien het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als: ten behoeve van de uitweg een houtopstand (bijvoorbeeld een boom) moet worden geveld en de daarvoor benodigde vergunning niet is verleend; de uitweg is gelegen binnen de kwetsbare boomzone, tenzij naar het oordeel van het college hiervan kan worden afgeweken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel