Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 11.

Woonvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Drenthe 2024

1.. Een woonvoorziening is er op gericht dat de cliënt normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. 2.. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal of kan hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van woonruimten die naar het oordeel van het college niet geschikt zijn voor permanente bewoning, behalve een voorziening voor verhuizing; als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; 3.. Verhuiskosten worden toegekend indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is tegenover de woonvoorziening. 4.. De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt bepaald aan de hand van minimaal twee door de cliënt te overleggen vergelijkbare offertes. 5.. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid wordt de tegemoetkoming in de verhuiskosten voorts niet toegekend indien; cliënt voor het eerst verhuist naar een zelfstandige woonruimte; cliënt verhuist naar een Wlz- instelling; 6.. Bij de bepaling van de te verstrekken voorziening (verhuiskosten dan wel andere woonvoorziening) bij de bewoning van een woonwagen houdt het college rekening met de technische levensduur van de woonwagen. 7.. De cliënt die een woonvoorziening in eigendom heeft, betaalt bij verkoop van de onroerende zaak binnen vijf jaar na de oplevering van de voorziening de waardestijging die de onroerende zaak als gevolg van de woonvoorziening heeft ondergaan aan de gemeente terug. Hierbij gelden de volgende bepalingen: de cliënt meldt de verkoop van de onroerende zaak onverwijld aan het college; de waardestijging wordt door een beëdigd taxateur bepaald door vergelijking van de waarde van de onroerende zaak vlak na, en onmiddellijk voor het aanbrengen van de voorziening; de terugbetaling bedraagt bij verkoop in het eerste jaar na de oplevering van de voorziening 100%, in het tweede jaar 80%, in het derde jaar 60%, in het vierde jaar 40% en in het vijfde jaar 20% van de waardestijging; de betaalde eigen bijdragen ter zake van de woonvoorzieningen worden verrekend; ingeval de woonvoorziening in de vorm van een pgb is verstrekt, is het terug te betalen bedrag niet meer dan de hoogte van het pgb.

Rechtspraak bij dit artikel