Naar hoofdinhoud
1.. Ontvangen schadevergoedingen dienen door belanghebbende altijd te worden gemeld bij het college. 2.. Het college beoordeelt in hoeverre de schadevergoeding bestaat uit: Compensatie voor het verlies aan verdienvermogen Vergoeding van materiële schade Vergoeding van immateriële schade (smartengeld) 3.. Voor zover de schadevergoeding verlies van verdienvermogen betreft, moet de schadevergoeding worden aangemerkt als inkomen over de periode waarop de schadevergoeding betrekking heeft. 4.. Voor zover de schadevergoeding bestaat uit vergoeding van materiële schade, kan de vergoeding worden vrijgelaten voor goederen die algemeen gebruikelijk zijn. Voor het overige deel wordt de vergoeding tot het vermogen gerekend. 5.. Voor zover de schadevergoeding bestaat uit smartengeld, neemt het college onder meer in aanmerking: De hoogte van de vergoeding De aard en de bestemming van de vergoeding De belangen, feiten en omstandigheden van belanghebbende 6.. Wanneer het smartengeld voor blijvende schade betreft, wordt de vergoeding toegerekend aan de periode van het ontstaan van de schade tot het moment van het einde van de geschatte levensduur. 7.. In geval van lid 6, kan wordt een bedrag van € 1.800 per kalenderjaar vrijgelaten, naast de vrijlating genoemd in artikel 2 van de beleidsregel. 8.. Wanneer het smartengeld geen betrekking heeft op blijvende schade, wordt 2/3e deel van de schadevergoeding als vermogen aangemerkt. 9.. Indien de omstandigheden genoemd in lid 5 daarvoor aanleiding geven, kan het college een andere verdeling als genoemd in lid 8 toepassen ten gunste van de belanghebbende. 10.. Het college houdt rekening met de schadevergoeding op het moment dat belanghebbende daarover kan beschikken.

Rechtspraak bij dit artikel