Als eerste stap in het proces (zie figuur 5) dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiermee wordt inzicht verkregen in welke archeologische resten waar verwacht worden en reeds bekend zijn en waar deze mogelijk door geplande bodemingrepen bedreigd worden.
Als de resultaten van het bureauonderzoek hier aanleiding toe geven dient vervolgens een inventariserend veldonderzoek (hierna: IVO) plaats te vinden. Het resultaat van een IVO is een rapport met een inhoudelijk advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een besluit over de voortgang genomen kan worden.
Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting. Dit gebeurt door waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische resten. Meestal wordt eerst een verkennend of karterend booronderzoek uitgevoerd, soms aangevuld met of vervangen door een oppervlaktekartering. Een verkennend booronderzoek is extensief van aard en heeft vooral tot doel inzicht te geven in de landschappelijke opbouw van een gebied en een inschatting te geven of de bodem intact genoeg is om archeologische resten te kunnen bevatten. Het onderzoek heeft niet tot doel archeologische resten op te sporen.
Dit laatste is wel het geval bij karterend onderzoek (karterend booronderzoek of oppervlakte- kartering). Bij karterend onderzoek wordt getracht een eerste inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten. Als geen archeologische resten (vindplaatsen) worden aangetroffen, of blijkt dat de archeologische resten niet door geplande ingrepen verstoord worden, gelden geen verdere restricties met betrekking tot de verdere planuitvoering. De ervaring leert dat booronderzoeken op zandgronden een zeer beperkte informatiewaarde hebben. Als in een onderzocht gebied archeologische resten worden vastgesteld, of er een gerede verwachting voor bestaat, dienen de omvang en gaafheid hiervan te worden vastgesteld aan de hand van een waarderend vervolgonderzoek. Ook deze waarderende fase is onderdeel van het IVO. Meestal gebeurt dit in de vorm van zogenaamd proefsleuvenonderzoek dat de mogelijkheid biedt om nauwkeuriger gegevens met betrekking tot aspecten als omvang, kwaliteit en kwantiteit van de archeologische sporen te verkrijgen. Door middel van één of enkele proefsleuven worden de archeologische sporen blootgelegd en opgetekend. Proefsleuven zijn dan ook opgravingen in het klein, waarvoor min of meer dezelfde eisen gelden die aan een opgraving worden gesteld. Het onderzoek is vrij arbeidsintensief en vindt bij voorkeur ruim voor de ruimtelijke planuitvoering plaats.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.5
Artikel 5.5.1
Inventarisatie
Onderdeel van Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030