Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Regeling inzake heffing in de vorm van een jaar­lijkse belasting

Onderdeel van Verordening Baatbelasting riolering zijweg 't Buske Sint Anthonis 2003

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 30 jaren. 2. Het verzoek genoemd in de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag schriftelijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b. van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar te worden ingediend.Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3. De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van 30 jaren en een rentevoet van 6 %. 4. De belasting voor de nog niet verstreken belastingjaren kan elk jaar op verzoek worden afgekocht. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het belastingjaar, waarin de afkoop plaatsvindt, nog te verschijnen belasting­bedragen berekend naar een rentevoet van 6 %. 5. Het verzoek genoemd in de eerste volzin dient vóór 15 februari van het belastingjaar, waarin de afkoop plaatsvindt, schrifte­lijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b. van de Gemeente­wet bedoelde ambtenaar te worden ingediend. a. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend overeenkomstig het vierde lid van dit artikel. b. In afwijking van het bepaalde in onderdeel a. wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a., schrifte­lijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b. van de Gemeente­wet bedoelde ambtenaar te worden ingediend. 6. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het bezit of het beperkt recht van een gedeel­te van de onroerende zaak wordt overgedragen, wordt, voor de verdeling van de resterende belasting­schuld,de resterende belastingschuld voor de desbetreffende onroerende zaak voor de nog niet aangevangen belastingjaren opnieuw vastgesteld. De vaststelling van de resterende belastingschuld zoals bedoeld in de vorige volzin geschiedt op basis van de volgende formule: A/B x C Voor deze formule geldt: a. de oppervlakte van de na de overdracht op de datum van ingang van de heffing bestaande onroerende zaak; b. de oppervlakte van de op de in artikel 2, eerste lid genoemde datum bestaande onroerende zaak; c. de belasting zoals deze ingevolge artikel 5 zou gelden voor de op de in artikel 2, eerste lid genoemde datum bestaande onroerende zaak op de peildatum van de heffing, indien geen gedeeltelijke overdracht zou hebben plaatsgevonden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel