Naar hoofdinhoud
1. De aanslagen als bedoeld in artikel 2 (heffing ineens) moeten worden betaald binnen 3 maanden na de dagtekening van de aanslag. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid gelden voor aanslagen als bedoeld in artikel 6 (jaarlijkse belasting) de navolgende termijnen van betaling: A. De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. B. In afwijking inzoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 4.000,00 dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. C. In gevallen bedoeld in het tweede lid, onder b. geldt in afwijking inzoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel