[Wsw, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat.
De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft.
Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de werkgever. De gemeente houdt zich aan het preferente proces loonkostensubsidie dat voort komt uit landelijke samenwerkingsafspraken. Deze zijn te vinden op de website (www.fijnder.nl)
Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven.
Het doel van een voorziening is het vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende voorzieningen inzetten:
proefplaatsing;
werkervaringsplaats;
participatieplaats;
sociale activering;
beschut werk;
vervallen;
hulp bij een leer-werktraject;
plaatsingssubsidie;
wettelijke loonkostensubsidie;
vervallen;
scholing;
hulp bij het leren van de Nederlandse taal;
kinderopvang;
werk aanvaardingspremie.
De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn er mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van budget. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn ook de voorwaarden uit artikel 2.3.2 van toepassing.
In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt.
De gemeente zendt ieder jaar het jaarverslag aan de gemeenteraad met daarin de doeltreffendheid en de effecten van de inzet van de voorzieningen.
3.4.1 Proefplaatsing
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een uitkeringsgerechtigde inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt zijn uitkering tijdens die periode.
Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk.
Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing.
Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.
De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met een goede reden is er de mogelijkheid tot het verlengen van de proefplaatsing met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens van zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee tot zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden.
De gemeente weigert de toestemming bedoeld in het eerste lid, als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie.
3.4.2 Werkervaringsplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering.
Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen:
De inwoner doet werkervaring op;
De inwoner leert hoe het is om in een dienstverband te functioneren;
De inwoner doet werkritme op.
De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk.
De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt.
De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
De werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden en kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.
3.4.3 Participatieplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op loonvormend werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.
Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd.
Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden.
Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
De inwoner kan telkens na 6 maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil.
3.4.4 Sociale activering
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering.
Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
3.4.5 Beschut werk
[PW]
De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook.
Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.
De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt.
Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst Nieuw Beschut Werk Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.
De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
wettelijke loonkostensubsidie;
aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
werk opsplitsen in kleinere taken;
aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan ter overbrugging de volgende voorzieningen inzetten:
sociale activering;
participatieplaats; of
een vergelijkbare voorziening.
De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor:
sociale activering;
scholing;
participatieplaats;
werkervaringsplaats; of
een vergelijkbare voorziening.
3.4.6 Hulp bij een leer- werktraject
[PW]
De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren:
van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of
van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2.
De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen.
3.4.7 Plaatsingssubsidie
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt, voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner.
Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed.
De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het wettelijk minimumloon, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden.
Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen.
Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.
De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek.
De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.
Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de werkgever maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.
De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever plaatsingssubsidie van toepassing is.
3.4.9 Vervallen
3.4.10 Scholing
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.
De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.
3.4.11 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal
[PW, IOAW, IOAZ]
Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.
Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis.
3.4.12 Kinderopvang
[PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang]
De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als:
de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en
opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.
De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf moet betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en
De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening);
Of:
De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en
De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of bij een gastouderbureau.
3.4.13 Werk aanvaardingspremie
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan de inwoner een premie verstrekken, om de inwoner te stimuleren om aan het werk te gaan. De inwoner moet 21 jaar of ouder zijn.
Burgemeester en wethouders regelen de voorwaarden en de hoogte van de premie. De gemeente heeft hiervoor ´Beleidsregels werkaanvaardingspremie gemeente Oost Gelre’ opgesteld.
3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.
De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ.
Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden.
De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit doet de gemeente alleen als de inwoner die kosten niet op een ander manier vergoed kan krijgen.
3.4.15 Innovatie
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.
Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken.
Een experiment duurt niet langer dan drie jaar.
Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4
Voorzieningen – werk
Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Oost Gelre