Hulpvraag
De inwoner, die behoefte heeft aan ondersteuning, of diens vertegenwoordiger, kan terecht bij de Sociale Dorpsteams in de dorpen, maar ook bij andere dienst-/hulpverleners in de gemeente (b.v. huisarts, wijkverpleegkundige). Bij de Sociale Dorpsteams werken consulenten die qua opleiding en ervaring toegerust zijn voor hun taken. In eerste instantie wordt een verkennend gesprek gevoerd met de inwoner of diens vertegenwoordiger. Dit gebeurt vanuit de algemene voorziening in de vorm van ondersteuning maatschappelijk werk. Een melding kan uit dit gesprek voortvloeien.
Melding
Een hulpvraag kan door of namens een aanvrager bij het college op enigerlei wijze worden gemeld. Dat kan dus telefonisch, via de website of bij de Sociale Dorpsteams. De melding wordt door het Sociale Dorpsteam bevestigd.
Opstellen van een familiegroepsplan
Het opstellen van een familiegroepsplan is specifiek voor ondersteuning zoals bedoeld volgens de Jeugdwet. Een familiegroepsplan kan al worden opgesteld nadat de melding is gedaan en voordat het onderzoek plaatsvindt. Vandaar dat het op deze plek in het proces is geplaatst. Het opstellen van het familiegroepsplan kan echter ook later in het proces nog plaatsvinden.
Het Sociale Dorpsteam brengt de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. Het familiegroepsplan speelt ook een rol in het gedwongen kader. De beschrijvingen in deze beleidsregels omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van jeugdhulp.
De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken. In het vrijwillige kader is dit wanneer het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind. Reden: als een professional ernstige onveiligheid (bijvoorbeeld seksueel misbruik, ernstige verwaarlozing of mishandeling) constateert bij een kind, dan heeft het gezin blijkbaar zelf niet voldoende in die veiligheid kunnen voorzien. Veiligheid voor het kind is dan de eerste prioriteit.
Ook is de uitvoering van een familiegroepsplan begrensd door het professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet en de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze eisen zijn geoperationaliseerd in het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. De professional zal dus vanuit zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige.
Ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan
De gemeente heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet). De bedoeling is dat ouders en jeugdigen versterkt worden in hun eigen kracht en zoveel mogelijk zelf de regie houden wanneer zij kampen met problemen. Het familiegroepsplan is daarbij een belangrijk instrument. Dat jeugdigen en ouders niet gedwongen kunnen worden om een familiegroepsplan op te stellen spreekt voor zich. Uiteraard kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – dit wel aanraden en stimuleren. Bovendien, ook als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, zullen bepaalde zaken die ter sprake kunnen komen tijdens het opstellen van een familiegroepsplan óók ter sprake komen tijdens het onderzoek (een gesprek tussen het Sociale Dorpsteam en de jeugdige of zijn ouders, zie volgende paragraaf). Dan gaat het bijvoorbeeld om het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. In dat geval is het familiegroepsplan ingebed in het handelen van de hulpverlener.
Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier effectief uitvoering aan te geven. Deze ondersteuning dient geboden te worden als de jeugdige of zijn ouders hier behoefte aan hebben. Uiteraard kunnen de jeugdige of zijn ouders niet gedwongen worden om ondersteuning te accepteren, maar kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – ook hier wel aanraden en stimuleren. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan het Sociale Dorpsteam, bovendien kan deze van geval tot geval verschillen. Belangrijk is voor ogen te houden dat er geen sprake is van “one size fits all”. Het kan nodig zijn op verschillende manieren het opstellen van het familiegroepsplan te faciliteren. Belangrijke factoren hierin zijn:
de wensen van het gezin: hoe willen en kunnen zij het familiegroepsplan vormgeven en wie hebben zij daar bij nodig?
het vertrouwen dat een gezin wel of niet heeft in een professional die hen ondersteunt bij een familiegroepsplan. Bijvoorbeeld, gezinnen met een langdurige hulpverleningsgeschiedenis hebben mogelijk meer vertrouwen in een onafhankelijke coördinator dan in een professional uit een instelling die zij al kennen.
de aard en ernst van de problemen in het gezin: bij ernstige of complexe problemen hebben ouders wellicht meer ondersteuning nodig om een familiegroepsplan op te stellen dan bij lichte problemen. En bij omstandigheden die een bedreiging voor de ontwikkeling van een kind vormen is het nodig dat professionals de veiligheid van een kind in de gaten houden een vinger aan de pols houden of het familiegroepsplan voldoende is.
Het familiegroepsplan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat het familiegroepsplan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een familiegroepsplan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Het opstellen van een familiegroepsplan hoeft niet een eenmalige gebeurtenis te zijn, maar het kan herhaald en bijgesteld worden. Ook kan het familiegroepsplan later in het proces, bijvoorbeeld ten tijden van het onderzoek worden opgesteld.
Onderzoek
Het gesprek is het uitgangspunt van het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de aanvrager. Specifiek voor jeugd geldt het volgende. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het Sociale Dorpsteam dat als eerste bij het onderzoek. Altijd zal het Sociale Dorpsteam moeten oordelen welke jeugdhulp zij nodig acht en in welke mate de jeugdige en zijn ouders, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk familiegroepsplan, al dan niet opgesteld met hulp van de Sociale Dorpsteams, kan deze stap in het proces vergemakkelijken.
Bij het onderzoek – zowel in het kader van de Wmo als voor Jeugd - is aandacht voor:
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van aanvrager;
het gewenste resultaat van de gevraagde ondersteuning;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te voorzien in zijn behoefte aan ondersteuning en maatwerk;
de mogelijkheid om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn situatie;
de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van aanvrager;
de mogelijkheid om gebruik te maken van algemene, collectieve en/of andere voorliggende voorzieningen;
de mogelijkheid om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken;
de mogelijkheid om te kiezen voor verstrekking in de vorm van een pgb;
welke eigen bijdrage voor aanvrager van toepassing is (alleen van toepassing op de Wmo).
Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van de 5 stappen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vastgesteld als zijnde de stappen die gezet moeten worden in het kader van een zorgvuldig onderzoek. De formulering kan door de gemeente aangepast worden, maar qua inhoud blijven de stappen zoals opgesteld door de CRvB.
Voor Wmo zijn deze vragen:
Wat is de precieze hulpvraag?
Welke concrete problemen en/of feitelijke beperkingen doen zich voor bij zelfredzaamheid en participatie?
Wat heeft cliënt nodig, naar aard en omvang, om voldoende zelfredzaam te zijn en aanvaardbaar te kunnen participeren?
Welke ondersteuning kan worden geboden vanuit eigen kracht, mantelzorg, sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen?
Concludeer of er nog een deel van de hulpvraag overblijft om te compenseren als Wmo-maatwerkvoorziening.
Voor Jeugd zijn deze vragen:
Wat is de precieze hulpvraag?
Van welke opgroeiproblemen, opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen is er sprake?
Welke hulp is naar aard en omvang nodig voor jeugdige om gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren?
Welke ondersteuning kan worden geboden vanuit eigen kracht, mantelzorg, sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen? In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden toereikend?
Concludeer of er nog een deel van de hulpvraag overblijft om te compenseren als Jeugd-maatwerkvoorziening.
De consulent doet op basis van de gegevens uit het gesprek nader onderzoek om te bepalen of aanvrager een maatwerkvoorziening of dienst op grond van de Wmo 2015 of Jeugdwet nodig heeft en informeert hem over zijn bevindingen. Een gesprek om een voorziening aan te meten (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of een offerte van een woningaanpassingsbedrijf kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.
Het aanvragen van een medisch advies -bij de door de gemeente gecontracteerde instantie voor sociaal medisch en/of ergonomisch advies- kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding plaats.
Van de uitkomsten van het onderzoek wordt een verslag gemaakt. Het verslag is opgebouwd langs de stappen van de CRvB, zoals hierboven beschreven. De Sociale Dorpsteams geven bij het verslag een advies aan de gemeente m.b.t. het wel of niet toekennen van een maatwerkvoorziening, de duur en benodigde omvang van de voorziening en indien aan de orde, de pgb-vaardigheid van de cliënt. Dit verslag wordt met een aanvraagformulier naar de cliënt gestuurd. Wanneer duidelijk is dat de cliënt geen aanvraag wil gaan indienen, kan het aanvraagformulier achterwege gelaten worden. Hier wordt echter terughoudend mee omgegaan, omdat het een cliënt vrij staat om toch een aanvraag in te dienen. Een cliënt heeft ten alle tijden de mogelijkheid om alsnog een aanvraagformulier op te vragen bij de Sociale Dorpsteams en een aanvraag in te dienen, ook als de Sociale Dorpsteams adviseren om de aanvraag af te wijzen. Cliënt kan het ingevulde aanvraagformulier terugsturen. De aanvraag kan door de cliënt ook elektronisch worden ingediend, waarbij ontvangst van de aanvraag als aanvraagdatum geldt.
Tijdens het onderzoek komt aan de orde in hoeverre de inwoner voldoende geholpen is met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen, of andere voorliggende voorzieningen zoals de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet Passend Onderwijs. Deze zijn voorliggend op de maatwerkvoorzieningen. Ook wordt er gekeken in hoeverre er sprake is van gebruikelijke zorg. Specifiek bij jeugdhulp wordt stilgestaan bij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders. Belangrijk daarbij is dat een afweging wordt welke noodzakelijke ondersteuning ouders zelf kunnen bieden ook al is die meer dan bij een ander kind van dezelfde leeftijd en hulp van andere personen uit het sociale netwerk.
Aanvraag
Een aanvraag kan alleen door de gemeente in behandeling worden genomen wanneer een aanvraagformulier is voorzien van naam, geboortedatum en ondertekening door de aanvrager (of gemachtigde). De ondertekening dient te gebeuren met een zogenoemde ‘natte handtekening’. Digitaal ondertekenen, een gescande handtekening of een plaatje van de handtekening is niet geldig. Wanneer de gemeente het mogelijk maakt om een aanvraag in te dienen achter DigiD, dan hoeft er geen natte handtekening gezet te worden, omdat de aanvraag plaatsvindt achter DigiD. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is ontvangen door de gemeente, geldt als aanvraagdatum. De aanvraag dient gestuurd te worden naar het post- of e-mailadres dat op het aanvraagformulier staat aangegeven.
Wanneer de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 Awb).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Hulpvraag, melding, familiegroepsplan, onderzoek en aanvraag
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2024