Naar hoofdinhoud
1.. Giften ter vrije besteding, voor niet-noodzakelijke kosten of voor algemene kosten van bestaan worden niet tot de middelen gerekend voor zover de ontvangen giften niet meer bedragen dan € 1.200 per kalenderjaar. Als de uitkering gedurende het kalenderjaar is toegekend, geldt het bedrag van € 1.200 voor de periode vanaf toekenning tot en met 31 december. 2.. Het maximumbedrag genoemd in lid 1 geldt zowel voor een alleenstaande (ouder) als voor gehuwden/samenwonenden. 3.. Voor zover periodieke giften hoger zijn dan het in lid 1 genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als inkomen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te beoordelen of de gift toch uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Onder ‘periodiek’ wordt verstaan: de ontvangst van twee of meer giften in een kalenderjaar. 4.. Voor zover een eenmalige gift hoger is dan het in lid 1 genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als vermogen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te beoordelen of de gift toch uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Onder ‘eenmalig’ wordt verstaan: de ontvangst van één gift in een kalenderjaar.

Rechtspraak bij dit artikel