Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 13a.

Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering op grond van deze wetten.

Onderdeel van Beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet gemeente Maashorst 2022

1.. De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt vastgesteld met als uitgangspunt dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv en dat de vordering binnen een redelijke termijn wordt afgelost tenzij er aanwijzingen zijn dat belanghebbende over voldoende middelen beschikt om de vordering ineens terug te betalen. 2.. In afwijking van het eerste lid bedraagt de maandelijkse aflossingsverplichting bij invordering van Bbz-leningen voor niet verwijtbare bedrijfsbeëindigingen 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm plus 50 procent van het netto- inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, maar maximaal het bedrag dat berekend met de rekenmodule beslagvrije voet is in te vorderen, voor een periode van maximaal 5 jaar na de bedrijfsbeëindiging. 3.. In afwijking van lid 1 en 2 van dit artikel kan de gemeente met een betalingsvoorstel van belanghebbende instemmen als daarmee wordt bereikt dat belanghebbende de vordering via minnelijke weg blijft betalen 4.. Het aflossingsbedrag, zoals vermeld in het terug- en invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel