Een huishouden voeren impliceert een geschikte woning waarin de inwoner zijn alledaagse levenshandelingen kan verrichten. Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken.
Het college beoordeelt of het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing naar een reeds aangepaste of beter aan te passen woning. De volgende factoren worden afgewogen in het onderzoek:
Verhuizen is een passende oplossing en goedkoper dan het aanpassen van de huidige woning van de cliënt: het college kan ervoor kiezen om dan een tegemoetkoming voor verhuizen en herinrichting te verstrekken;
Sociale factoren: onder andere de binding van de cliënt met de omgeving, aanwezigheid van mantelzorg en directe familie, aanwezigheid van belangrijke voorzieningen in de omgeving;
Woonlasten en financiële draagkracht: vergelijking van woonlasten oude en nieuwe woning, waarbij in geval van koopwoningen ook onderzoek gedaan wordt naar de verkoopbaarheid en eventuele opbrengst of restschuld van de woning. Opbrengst kan ingezet worden voor toekomstige woonlasten, restschuld moet niet tot financiële problemen leiden;
Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte: Bij bouwkundige ingrepen wordt gewerkt met een programma van eisen, zo nodig opgesteld door een extern adviseur;
Mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Daarbij speelt de leeftijd van de bewoner een rol maar ook de vraag of, bij het verlaten van de woning, deze weer beschikbaar kan worden gesteld aan een persoon met beperkingen.
Bij een aanvraag voor een aanpassing van een woonwagen of woonschip, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de cliënt. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt.
HOOFDSTUK 3 › § 3.2
Artikel 15.
Woningaanpassing of verhuizing
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2024