In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
drugs: harddrugs en softdrugs;
drugshandel: de verkoop, vervaardiging, aflevering of verstrekking van drugs in al zijn verschijningsvormen, dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in een pand of op de daarbij behorende erven;
handelshoeveelheid: een hoeveelheid hard- of softdrugs waarvan in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk is dat de drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Bij het bepalen van deze hoeveelheden wordt aangesloten bij het bepaalde in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie:
onder een handelshoeveelheid softdrugs wordt verstaan een hoeveelheid van meer dan 5 gram van een middel opgenomen in lijst II behorend bij de Opiumwet of een hoeveelheid van meer dan 5 hennepplanten (= beroeps- of bedrijfsmatig handelen);
onder een handelshoeveelheid harddrugs wordt verstaan een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram van een middel opgenomen in lijst I behorend bij de Opiumwet of een consumptie-eenheid van meer dan 5 ml GHB;
harddrugs: een middel opgenomen in lijst I van de Opiumwet;
hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. Een hennepstek wordt aangemerkt als een individuele hennepplant;
lachgas: In de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik van lachgas, zoals door hobbykoks, aangehouden van maximaal 10 ampullen/ballonnen. In deze beleidsregel wordt vooralsnog uitgegaan van deze ‘gedoogde’ gebruikersgrens;
pand: woningen en al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen met bijbehorende erven, niet zijnde gedoogde verkooppunten voor softdrugs (coffeeshops). Ook (woon)wagens, -schepen en -keten kunnen vallen onder het begrip pand;
softdrugs: een middel opgenomen in lijst II van de Opiumwet;
strafbare voorbereidingshandelingen: het in een pand voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a van de Opiumwet.